Ja, hoe saaier, hoe beter

Natuurkundige Ad Lagendijk neemt aanstoot aan Marita Mathijsens aanval op de wetenschappelijke taal.

In het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad van 18 september breekt Marita Mathijsen, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, een lans om wetenschappelijke teksten literairder te maken. Expliciet komt ze met de aanbeveling om meer uitweidingen, mooischrijverij en metaforen te gebruiken in een wetenschappelijke publicatie. In haar betoog betrekt ze uitdrukkelijk natuurwetenschappelijke teksten. Het opvolgen van haar raad door natuurwetenschappers zou een ramp betekenen. Mijn bezwaren zijn van praktische en van principiële aard.

In de wereld van de natuurwetenschap is het klapstuk van een wetenschappelijk onderzoek de publicatie in een vaktijdschrift. Sinds de Tweede Wereldoorlog is Engels de lingua franca in natuurwetenschap. Dat wetenschappelijke jargon moet niet worden verward met het Algemeen Beschaafd Engels, gesproken door goed opgeleide volwassen Engelsen of Amerikanen.

Hoeveel natuurwetenschappers zijn als kind opgevoed in de Engelse taal en hoeveel zijn opgevoed in een andere taal? Mijn schatting is dat minder dan 20 procent van de natuurwetenschappers het Engels als eerste taal heeft: minder dan één op de vijf.

Tussen de wetenschappers die Engels als tweede taal spreken, kan heel wat onderscheid gemaakt worden. Nederlanders en Fransen spreken een charmant steenkolenengels, dat redelijk begrijpelijk is. Voor Chinezen daarentegen is het schier onmogelijk om acceptabel Engels te spreken en te schrijven. De tranen schieten je in de ogen als je een briljante Chinese of Japanse geleerde een voordracht hoort geven en je hem ziet en hoort worstelen met de taal.

Indien de aanbevelingen van Marita Mathijsen worden opgevolgd, zou dit inhouden dat voor zo’n 80 procent van de beoefenaren van natuurwetenschap extra belemmeringen worden opgeworpen. Zij zouden minder begrijpen van gepubliceerde wetenschappelijke artikelen en ze zouden ze zelf niet meer kunnen schrijven.

De beoefenaren van natuurwetenschap, waar ik gemakshalve wiskunde ook toereken, publiceren in Engelstalige vaktijdschriften in een – gemeten naar literaire normen – clichématige taal. Die steriliteit van de communicatie is geen slechte eigenschap, integendeel, het is mede door die eenvoud dat de overdacht van kennis optimaal is. Het gaat bij de wetenschap om de inhoud. Die moet zo duidelijk en eenduidig mogelijk worden gepresenteerd.

Natuurwetenschappelijke teksten, zelfs die louter bestaan uit opsommingen van wiskundige stellingen met hun bewijs, zijn voor vakmensen niet saai, maar dikwijls boeiend, stimulerend en uitdagend. Om deze teksten, zoals Mathijsen doet, te vergelijken met de vermeende onaantrekkelijkheid van een mongoloïde kind, vind ik onsmakelijk.

Mijn, door Marita Mathijsen zo verfoeide, gids Survival Guide for Scientists (Amsterdam University Press, 2008) helpt jonge natuurwetenschappers om hun wetenschappelijke artikelen in die clichés te gieten die hun werk optimaal toegankelijk maakt voor hun collega’s.

Wetenschappelijke teksten kunnen saai zijn voor buitenstaanders. Om die leken te interesseren voor ontwikkelingen en ontdekkingen van de wetenschap kan populariseren van nut zijn. En bij dat populariseren kunnen alle mogelijke literaire hulpmiddelen gebruikt worden. Veel van de voorbeelden die Marita Mathijsen aanhaalt, vallen onder dit populariseren. Dat is waardevol. Maar populariseren behoort niet tot de kern van de natuurwetenschap.

qed: The Strange Theory of Light and Matter, geschreven door Richard Feynman, is een voorbeeld van een prachtig geschreven didactisch boek over natuurkunde. Maar alleen uit de artikelen van zijn hand in het wetenschappelijke tijdschrift Physical Review blijkt de genialiteit van Feynman, hoe onleesbaar die publicaties ook zijn voor buitenstaanders.

Antwoord van Marita Mathijsen

In mijn Hanlo-lezing geef ik een categorisering van wetenschappelijke schrijvers die succes hebben als publicist. Als eerste noem ik de soberman, die glashelder proza zonder jargon en zonder versieringen schrijft. Ik waardeer deze categorie schrijvers niet minder dan de barokke, die ik ook noem. In tegenstelling tot wat Lagendijk beweert, pleit ik niet zonder meer voor ‘mooischrijverij’. Ik meen wel dat retorische middelen toegelaten moeten worden in wetenschappelijk proza, maar wie de stijl niet beheerst, hoede er zich inderdaad voor. Dat wil nog niet zeggen dat er niet op z’n minst gestreefd moet worden in alle wetenschappen naar een stijl die zo helder mogelijk is – zoals Lagendijk ook zelf beweert. Waar wiskundige bewijsvoering het hele betoog vormt, houdt natuurlijk alles op, maar dat pleit nog niet tegen de hoofdstelling van mijn Hanlo-lezing, namelijk dat ook voor de wetenschap stijl een bewijs is van beheersing, inzet van de persoonlijkheid een bewijs is van een kritische instelling en het gebruik van retorische middelen een bewijs van vakmanschap. Ik ‘verfoei’ Lagendijks nuttige gids helemaal niet, integendeel, ik raad die elke aio die in het buitenland gaat spreken aan, maar ik vind hem te rigide in zijn opmerking om niet origineel te zijn. Zelfs de bètaproefschriftschrijver moet allerlei beslissingen nemen die een romanschrijver ook moet nemen: over het tijdsverloop, over het point of view, over de plaats van handeling, over het aantal processen dat hij beschrijft. Die beslissingen kun je aan het cliché overlaten, je kunt ook proberen daarin te variëren.

Zie voor de cs-tekst van de Hanlo-lezing: nrc.nl/wetenschap