'Ik moet mijn ambities bijstellen'

Bernard Welten is binnenkort vijf jaar korpschef in Amsterdam. Gesprek over oranje boerka’s, Bossche bollen en zijn ingewikkelde verhouding met burgemeester Cohen en minister Ter Horst. ‘Ik ben een grote jongen, toch?’

Zeshonderd Amsterdamse politieagenten zitten rondom de catwalk waarover korpschef Bernard Welten – microfoontje om het hoofd gevouwen – onvermoeibaar heen en weer loopt. Om alle 6.100 dienders van de politieregio Amsterdam-Amstelland op de jaarlijkse besloten themadagen te kunnen toespreken, houdt de hoofdcommissaris in twee weken tijd tien keer dezelfde peptalk. „Geen klein bier”, merkt Welten (54 jaar) halverwege zijn laatste betoog op.

Het thema van de voordracht is ongelijkwaardigheid. Welten, die volgende maand vijf jaar de baas is van het grootste politiekorps van Nederland, vertelt de agenten dat „multiculturaliteit een enorme verrijking is”, maar ook „tot veel spanningen” leidt. Hij herinnert aan de moord op Theo van Gogh, op zijn tweede dag als korpschef. „Een kantelmoment” in de hoofdstad. „Het had erg uit de hand kunnen lopen.” Maar mede dankzij het optreden van de politie werden rassenrellen voorkomen. „Er zijn regelmatig dagen dat ik kippenvel krijg als ik zie wat dienders allemaal presteren. Er wordt nogal eens badinerend gesproken over het politievak, maar ik ben in ieder geval trots op de mensen die het vorm geven”, klinkt het tot besluit.

Na de speech van Welten waaieren de bezoekers uit over het trainingscomplex van de politie. Het gebied is voor de gelegenheid omgetoverd tot een soort Parade-terrein. De agenten kunnen een toneelstuk bekijken, ‘speeddaten’ met een van de vier leden van de Amsterdamse korpsleiding of zich met een oranje boerka aan onder de mensen begeven.

„Ik wil dat dienders echt ervaren wat ongelijkwaardigheid betekent. Je kunt ze iets vertellen maar beter is het om ze bijvoorbeeld met zo’n boerka in verwarring te brengen. Een diender krijgt pas iets onder zijn huid door iets te voelen, zien, ruiken of horen”, zegt Welten een week later tijdens een gesprek op zijn kamer op het Amsterdamse hoofdbureau van politie. Hij noemt zijn korps „een grote familie” en zegt genoten te hebben van de themadagen. „Ik ben de tambour-maître. En ik wil letterlijk dicht bij mijn dienders zijn. Daar voel ik me het meest op mijn gemak. Als ik mijn collega’s raak, is dat overigens ook goed voor mijn energiespiegel.”

U bent een man „met een waanzinnige missie”, zei een politie-inspecteur tegen me vlak voordat u begon aan uw voordracht. Klopt dat?

„Ik heb een wat overdreven passie om het veiliger te maken. Ik hoop dat ik door mijn bezieling mensen zo weet te inspireren dat ze dingen doen waarvan ze niet wisten dat ze die konden. Het gaat er in mijn vak niet om wat je zelf kunt, maar wat je kunt organiseren. Dus als je bereikt dat al die dienders een vergelijkbare passie voelen om het veiliger te maken, weet ik zeker dat je dat op straat kunt merken.”

Wees je eigen hoofdcommissaris, zei u op de catwalk.

„Absoluut. Mensen zijn in ons bedrijf aanspreekbaar op hun gedrag. Ze zijn betrokken, zelfwerkzaam en niet afwachtend. Dat is mijn beschavingsoffensief. Just do it, moet bij mensen in dit vak passen. Ik heb hier geen soldaten nodig – pardon, dat is een verkeerd woord – dienders nodig die de hele dag naar me omkijken en vragen: ‘Baas, wat gaan we doen?’”

U bent een prediker?

„Ik ben een paar jaar misdienaar geweest en misschien is dat besmettelijk.”

Maar u schijnt slecht te luisteren.

„Ik denk dat dat klopt. Daarom organiseer ik ook voortdurend tegenspraak. Ik heb twee jaar geleden twaalf hoog opgeleide jonge lieden, die totaal niets met de politie hadden, anderhalf jaar bij ons laten rondkijken. Ik heb ze gevraagd om, mij in het bijzonder, tegen te spreken. Ik wil juist voorkomen dat ik alleen maar op zenden sta.”

Wie zijn uw goeroes?

Welten loopt naar de boekenkast en pakt een werk van de Ierse organisatiedeskundige Charles Handy: The age of unreason. „Er zijn een paar hoogleraren die me bijzonder inspireren. Bob Hoogenboom (hoogleraar politiestudies, red.), een briljante geest. Ik vind iemand als Jelle Kuiper, mijn voorganger als korpschef, ook een heel oorspronkelijk iemand. Er zijn wel meer mensen. Trendwatcher Adjiedj Bakas, cultuursocioloog Gabriël van den Brink of publicisten als Paul Scheffer en Pieter Hilhorst. Die mannen geven mij verlichte momenten.”

Opvallend dat u uw oude hoofdcommissaris, Eric Nordholt, niet noemt.

„Nordholt was een leider die heel knap is geweest in het emanciperen van het politiebedrijf. In de jaren negentig wist hij op onnavolgbare wijze de politie te representeren. Maar als het gaat om mijn bronnen van inspiratie, in de filosofische zin van het woord, dan kom ik eerder bij zijn opvolger Kuiper uit. Hij was veel meer, naar Rodin, le penseur.”

Het eigen recente denkwerk van Welten is gebundeld in Politie in ontwikkeling. Onder zijn voorzitterschap heeft een projectgroep van de raad van hoofdcommissarissen in 2005 dit ‘visiedocument’ gepubliceerd. „In de wereld hebben zich zoveel veranderingen voorgedaan dat herijking van missie, visie en strategie noodzakelijk zijn”, schrijft Welten in het voorwoord.

Toen u op de themadagen vroeg wie uw rapport heeft gelezen, staken er van de 600 man maar vier besmuikt hun hand op. Loopt u niet te veel voor de troepen uit?

„Die vraag was maar een grapje. Het rapport is ook niet specifiek geschreven voor collega’s die het uitvoerende werk doen. Maar voor hen die leiding geven, geldt iets anders. A man’s mind stretched to a new idea gaat nooit meer terug naar zijn oorspronkelijke dimensie.”

U hebt het rapport in het kerstpakket van alle Amsterdamse agenten gestopt. Dan wilt u toch dat het wordt gelezen?

„Het hoort allemaal bij frapper toujours. Dienders zijn uiteindelijk toch nieuwsgierig. En ook de druppel holt de steen uit. Leve de Chinese wijsheid.”

In het rapport staat dat de politie „gezaghebbende leermeester en gangmaker” moet zijn op het gebied van veiligheid. „De politieorganisatie als geheel moet meer professionele ruimte krijgen”, staat er. Vooral die opvattingen leverden veel kritiek op. Deze krant sprak in een hoofdartikel zelfs van „een politiële machtsgreep”. Criminoloog en auteur van boeken over de geschiedenis van de politie, Cyrille Fijnaut, schreef in een artikel dat de politie zich met dit rapport „afkeert van de rechtsstaat”, omdat er geen „gezagsvolle solidariteit met het openbaar ministerie” wordt betracht. Welten haalt er zijn schouders over op.

„Fijnaut heeft zijn beste tijd gehad. Deze professor heeft het helaas niet begrepen. Die kritiek ontstaat omdat mensen het eng vinden dat wij een opvatting hebben. De opmerking van Fijnaut over de rechtsstaat heeft mij gekwetst. Waarom investeren wij zo veel in competentie van dienders? Mijn verantwoordelijkheid als politiebaas is zorgen dat het bedrijf klaar is voor morgen. Veiligheid is ons vak. Niemand weet daar meer van dan wij. Er is geen sector die zo bezig is met de toekomst en nadenkt over haar eigen functie als de politie.”

Welten is telg uit een Brabantse bakkersdynastie. Hij werd in 1955 geboren boven de winkel in Breda. Tijdens schoolvakanties reed hij met een elektrische bakfiets door de stad om de speciale Bums dwarsgebakken broden aan de man te brengen. Door het verkopen van Bossche bollen of worstenbroodjes leer je heel goed communiceren, is zijn ervaring. „Mijn twee broers en ik werden langs kruideniers gestuurd waar ze bijvoorbeeld alleen King Corn of Juweel broden verkochten. Dan zeiden wij: neen, we willen alleen Bums.”

Na de havo twijfelde Welten tussen de sportacademie, een opleiding tot straaljagerpiloot of de politie. „Mijn vader heeft uiteindelijk uit de tv-gids de aanmeldbon voor de politieacademie ingevuld: ‘dat is iets voor onze Ber’, moet hij gedacht hebben.”

Dat de politie in de progressieve jaren zeventig onder veel leeftijdgenoten gold als een suspect reactionair instituut, maakte het voor de bakkerszoon juist aanlokkelijker voor een ‘blauwe’ loopbaan te kiezen. „Ik ben van het atypische, tegendraads. Ik heb licht anarchistische trekjes.” Welten wilde een vak dat „maatschappelijk relevant” is. „Ik wil iets voor mensen betekenen. Je bent pas iemand als je er voor iemand bent.”

Verreweg het grootste deel van zijn loopbaan werkte Welten bij de Amsterdamse politie. Hij geldt er van meet af aan als een ‘wout met branie’. Hij viel op door de uiterst zelfbewuste wijze waarop hij het in 1995, tijdens de parlementaire enquête naar de crisis in de opsporing (de zogeheten IRT-affaire, red.), opnam voor het bekritiseerde hoofdstedelijke politiekorps. „Ik denk dat wij eerherstel verdienen”, begon de toenmalige recherchechef Welten in zijn verhoor tegenover commissievoorzitter Maarten van Traa. Terugkijkend glimlacht hij om die houding. „‘Daar zat de Louis van Gaal van de Amsterdamse recherche’, stond een dag later in de Volkskrant. Ik herkende dat beeld wel.”

Op nadrukkelijk verzoek van burgemeester van Groningen Jacques Wallage verhuisde hij in 1999 naar het noorden om er korpschef te worden. Vijf jaar later, na herhaald aandringen van burgemeester Job Cohen, keerde Welten terug in Amsterdam. Op 1 november 2004 volgde hij Jelle Kuiper op als korpschef.

U koos voor Amsterdam want, zo zei u voor uw aanstelling: ‘Als ik straks bij Petrus kom, wil ik kunnen zeggen dat ik iets heb beleefd’. En?

„Ik ben niet iemand van een rustig leven. Ik heb snel de behoefte onrust op te zoeken. Want in de verwarring is het meeste te leren. Als je nu terugkijkt, waren er de nodige momenten die ik lang met me mee zal dragen. Dat is goed. Door de moord op Theo van Gogh was ik meteen op vlieghoogte. Ook al was deze zaak professioneel gezien minder ingewikkeld dan het leek omdat de dader uitstekend was aangehouden. We hadden geen suicide by cop. De opzet van Mohammed B. was immers martelaarschap te verwerven en zo maatschappelijk veel onrust te veroorzaken.”

Krijgen korpschefs voldoende ruimte van hun burgemeester en korpsbeheerder om zaken te agenderen?

„In 1993 kregen de voornaamste korpschefs uit die tijd (Wiarda uit Utrecht, Brand uit Den Haag, Hessing uit Rotterdam en Nordholt, red.) nog de Machiavelliprijs voor overheidscommunicatie, maar sindsdien is er veel veranderd. De oude generatie korpschefs werd het nog gegund kwesties aan de orde te stellen. Maar nu leidt het tot een ongemakkelijk gevoel bij bestuurders en daarom willen ze het niet meer. Dat laat onverlet dat wij als politie vanuit onze maatschappelijke positie voortdurend uitgehoord zouden moeten worden over wat er speelt in de samenleving en op welke wijze er iets aan kan worden gedaan.”

Nordholt en burgemeester Ed van Thijn vormden een geheel ander koppel dan het duo Welten en Cohen.

„Ja.”

In welk opzicht?

„Nou ja, u stelt het als feit en vraagt het aan mij. Vul het zelf maar in.”

Nordholt had tegenover Van Thijn nadrukkelijker iets in te brengen?

„Dat klopt. Ik heb in het begin ingewikkelde momenten gehad met burgemeester Cohen, echt ingewikkeld. Kijk, Cohen is natuurlijk buitengewoon secundair. Dus ik denk zeker dat hij nog wat met mijn opvattingen doet.”

Wat bedoelt u?

„Nou, het is niet een primair reagerende man. Hij laat dingen niet direct merken. Ik denk dus dat ik invloed heb, maar secundair. Thorbecke zei al: we wensen een politie waar we niet te veel van zien en horen. De vorige korpschefs hebben de ruimte gepakt. De huidige gezagsdragers willen laten zien dat zij besturen. Dat is natuurlijk waar, maar ik denk dat er nu een te grote mate van voorzichtigheid is.”

Oude korpschefs kregen te veel ruimte en u te weinig?

„Dat denk ik.”

Dat moet knap vervelend zijn voor een man met veel opvattingen?

„Zeker. Dat is ook de reden waarom ik wel eens tegen een betonnen paaltje loop. Ik zit hier niet helemaal schadevrij. Er zijn wel momenten geweest dat het zichtbaar was dat er spanning was. Nu is de wederzijdse waardering anders. Voor mij is het héél belangrijk dat Bolhaar gekomen is. (Herman Bolhaar die een jaar geleden de Amsterdamse hoofdofficier van justitie Leo de Wit opvolgde, red.) Dat is voor mij echt een geschenk uit de hemel. Hij is een belangrijke factor in de driehoek met de burgemeester van geven en nemen, van zenden en luisteren. Ik weet niet of ik daar verder iets over moet vertellen. Ik wil niets onaardigs zeggen.”

U bedoelt dat de driehoek nu uit drie partijen bestaat en eerder stond u alleen tegenover De Wit en Cohen?

„Ja, zo is het. Nu is er veel meer balans in de driehoek. Daar ben ik heel blij mee want de oude situatie leverde veel energieverlies op.”

Het grootste betonnen paaltje op uw weg was toen u in 2006 door Cohen en De Wit werd gedwongen terug te keren van wintersportvakantie. Ze waren boos omdat u publiekelijk kritiek had geleverd op de justitiële aanpak van veelplegers.

„Ja, dat was een cruciaal moment. Toen heb ik me ook gerealiseerd dat het niet effectief is om dingen op mijn manier te blijven doen. Succes is kwaliteit maal acceptatie. Als mijn ideeën niet worden geaccepteerd, kan de kwaliteit nog zo hoog zijn maar dan schiet het niet op. Ik zoek nu andere vormen door heel consistent te zijn in mijn gesprekken in de driehoek over datgene wat er in Politie in ontwikkeling staat.

Bent u niet erg teleurgesteld? Cohen vroeg nadrukkelijk de eigenwijze Welten naar Amsterdam te verkassen maar eist vervolgens dat hij niet te veel zijn mond opendoet?

„Het incident heeft mij geleerd om effectiever te opereren. Ik moet meerdere manieren zoeken om invloed te kunnen uitoefenen. Ik moet meer geduld hebben.”

Dat zal niet meevallen?

„Neen, dat valt ook niet mee. Ik moet veel inslikken. Ik moet mijn ambities bijstellen. Het is niet de bedoeling dat ik veel agendeer.”

Heeft u dat niet bijzonder ongelukkig gemaakt?

„Nou ja, het heeft me niet gelukkiger gemaakt, maar ook niet bijzonder ongelukkig. Als ik nu wat wil vinden, doe ik dat in overleg. En de ene keer krijg ik meer ruimte dan de andere keer.”

Voelt u zich in de steek gelaten door Cohen?

Welten zucht. „Interessante vraag. Jeetje, dit wordt een ingewikkeld artikel.” Het is een tijd stil. „Ik ben een grote jongen, toch? Ik vind het moeilijk die vraag te beantwoorden. Laat maar, het wordt te ingewikkeld.”

Komt u regelmatig op de koffie bij PvdA-bewindsvrouw en politieminister Guusje ter Horst?

„Neen, nooit. De minister praat geloof ik nooit met politiemensen maar alleen met bestuurders. Dat is haar goed recht maar mijn keuze zou het niet zijn. Wie wel heel goed kan luisteren, is haar staatssecretaris Ank Bijleveld, die is voortreffelijk. Minister Ter Horst vindt dat wij stoorzenders zijn en dat vind ik eigenlijk wel een compliment. Het zou toch goed zijn dat wij af en toe laten horen wat er aan de hand is? Je kunt niet van ons verlangen dat we sullige uitvoerders zijn. Dus vinden wij wat.’’

Hebt u nog wortels bij de PvdA?

„Neen, die heb ik achter mij gelaten. Maar zoiets vraag je niet als journalist. Ik durf zoiets nooit aan mensen te vragen.”

Klopt het dat het CDA u gepolst heeft bij de vorming van dit kabinet?

„Laat ik zeggen dat ik van het CDA wat vrijages heb gevoeld. Er zijn een paar mensen langs geweest. Maar ik geloof niet dat ik geschikt ben als politicus.”

Blijft u nog lang korpschef van Amsterdam?

„Ik doe dit in principe nog twee jaar. Ik heb voor zeven jaar getekend. Ik heb gezegd dat ik geloof in fasen in het leven, zoals beschreven door Bernard Lievegoed (antroposoof, red.), een niet onbelangrijk iemand. Ik ben ook niet zo bijbels maar ik geloof wel in zeven rijke en zeven arme jaren.”

Straks komen de zeven rijke jaren?

„Neen, maar ik propageer bij dienders dat ze nooit langer dan zeven jaar op dezelfde plek moeten zitten omdat je anders jezelf gaat horen spreken. Je hebt het allemaal al een keer gezien. Je moet jezelf voortdurend uitdagen en daarbij past ook het na zeven jaar afscheid nemen van een functie.”

Hoe groot is de kans dat u over twee jaar toch blijft als de korpsbeheerder dat wil?

„Die is niet groot. Laat ik zeggen, die kans is op dit moment heel klein. Omdat ik vind dat ik aan mijn eigen principes trouw moet blijven dat ik iets zeven jaar doe.”

„Waardoor je rijk blijft”, vult zijn woordvoerster aan.

„Waardoor ik rijk blijf”, zegt Welten.

En dan gaat u op uw 56ste aan de slag in het bedrijfsleven?

„Dat weet ik niet. Nou ja, ik word wel eens gepolst of ik dit of dat zou willen. Het zou kunnen, maar daar ben ik nog niet mee bezig.”