'Er is zoveel dat ik niet weet'

Louis Baseler (1925) mocht van zijn vader geen militair worden. Toch ging hij vechten voor het KNIL. ‘Het contact met mijn familie is altijd moeilijk gebleven.’

‘Toen ik nog maar een peuter was, kwam er een keer een vrouw bij ons aan de deur om eieren te verkopen. Zij zei tegen mijn moeder: ‘Uw zoon wordt later militair.’ ‘Dat kan niet’, antwoordde mijn moeder. ‘Zijn vader zou hem de benen breken.’ Mijn vader had als dienstplichtige in de Atjeh-oorlog gevochten, en hij wilde niet dat zijn kinderen zoiets zouden meemaken. Ik heb altijd technisch onderwijs gevolgd. Maar de voorspelling van die vrouw is uitgekomen.

„Tot de oorlog had ik een gelukkige jeugd. Mijn vader was een in Indonesië geboren Duitser die in de suikerindustrie zat. Mijn moeder was Indonesisch. Hoe ze elkaar ontmoet hebben, weet ik niet. Ze hebben vijf kinderen gekregen, een jaar na mij kwam nog mijn broertje Felix. Toen in Nederland de suikerbiet opkwam, gingen veel Indische suikerplantages failliet, maar mijn vader had genoeg geld verdiend om te kunnen rentenieren. We hadden huizen en landerijen. Ik ging naar de Europese school, en ik zong mee in het koor van het seminarie. Met Kerst en met Pasen mocht ik voorzingen op de radio.

„Toen ik 17 was, vielen de Japanners Indonesië binnen. Ik heb eerst veel vrouwen en kinderen geholpen met het verhuizen naar de barakken, en daarna moest ik zelf ook het kamp in, samen met Felix. In het kamp deden we krachtoefeningen met ringen en rekstokken, om tegen de Japanners te kunnen vechten als we weer vrij zouden zijn.

„Op een dag werd ik wakker in het ziekenhuis. Ik had een longaandoening. Er gebeurde een wonder: ik zag mijn moeder. ‘Hoe kom je hier?’, vroeg ik. Ze antwoordde: ‘Ik ben hier niet voor jou.’ Ze had de bewakers wijsgemaakt dat ze een gewonde militair kwam opzoeken die naast mij lag. Ze had penicilline bij zich. Onder de Bogen, heette het ziekenhuis. Het werd gerund door nonnen uit Maastricht.

„Na mijn herstel moest ik terug het kamp in. Japan capituleerde, en toen kwamen er opeens mensen van het Zwitserse Rode Kruis zeggen dat we weg moesten. Felix wilde terug naar mijn moeder. Ik maakte een andere keuze. Ik was een Indo-Europeaan. Ik weigerde om een warga negara te worden, een Indonesisch staatsburger, en koos de Nederlandse nationaliteit. Mijn familie heeft dat nooit begrepen.

„Ik gaf me op als radiotelegrafist bij de speciale troepen van het KNIL, die naar Nieuw-Guinea zouden worden uitgezonden. De vraag kwam: willen jullie militair worden? Eigenlijk had ik daar geen zin in, maar ik wilde meedoen met de groep. Na Nieuw-Guinea werd ik verder opgeleid als para-commando. In 1950 moest ik het land uit vanwege de onafhankelijkheid van Indonesië. Het was een levensgevaarlijke situatie; voor afscheid nemen was geen tijd. In Nederland was er geen perspectief voor Indische jongens. We hadden geen werk. Daarom tekenden velen van ons als vrijwilliger voor Korea. Ik ben er een jaar geweest, en het was de hel. De Koreanen waren onze voormalige kampbewakers.

„Na mijn terugkeer in Nederland mocht ik van het ministerie van Defensie alsnog een HTS-opleiding volgen. Mijn vrouw kende ik toen al: zij had meegedaan aan een liefdadigheidsactie waarbij vanuit Nederland pakketjes naar de troepen in Nieuw-Guinea werden gestuurd, en daarna waren we elkaar blijven schrijven. Zoiets houdt je gaande in oorlogstijd. In 1957 kon ik met haar trouwen.

„Het contact met mijn familie in Indonesië is altijd moeilijk gebleven. Tot 1974 mocht ik het land niet in. Zelfs toen mijn moeder was overleden kreeg ik geen visum. Ik heb nooit met iemand over mijn familiegeschiedenis kunnen praten. Er is zoveel dat ik niet weet. De mensen op de foto leven niet meer voor mij. Als ik naar ze kijk, voel ik alleen verdriet.”

‘Melati’ heet het huis, naar een tropisch wit bloempje. Op de garagedeur is een boom geschilderd. Hij leeft eindelijk in vrede, zegt hij tijdens een wandeling door de straat. Hij draagt een grijs regenjack.

Heeft u ook een interessante familiefoto? Mail naar weekblad@nrc.nl