Dood

Frank Vandenbroucke was op de maat gesneden van de Ronde van Lombardije. Organisch verbonden met het schitterende landschap, en ook nog met de vallende bladeren dezer dagen. Ik had hem vandaag graag op het podium zien staan, naast Francesco Moser, Felice Gimondi, Gianni Bugno… Al was het maar als decorum. Meer Italiaan dan Vandenbroucke kan een Italiaan niet zijn. Of het moet Fausto Coppi zijn geweest, en die is al lang dood. Zijn Witte Dame helaas ook.

Laatst nog, op het WK in Mendrisio, liet VDB zich toejuichen als was hij een kruising van Clark Gable, Alain Delon en Al Pacino. Van top tot teen: cinema. In de volle glorie van zijn eigen filmfestival, zo flaneerde en paradeerde hij. En zo was het altijd, al helemaal in zijn gloriejaren op de fiets. Gebeiteld in ijdelheid en design. Flandriën op La Redoute, diva na de koers. Hij was in Mendrisio als columnist voor een krant. De chromen engel, die jarenlang alleen maar van koers naar koers was gereden in een Maserati, nu dan teruggevallen tot kruimeldief.

Maar niemand mocht het zien.

Er is geen sport waar de nagedachtenis zo pregnant aanwezig blijft als in wielrennen. Niks erosie van legende, niks slijtage van liefde. Een millennium doet er ook niet toe. Voetballers hebben dat niet. Natuurlijk is Gerrie Knetemann niet dood, Charly Gaul ook niet. Hennie Kuiper doet onverminderd mee in Lombardije.

Nog voor de aflijvige begraven is, word ik overvallen door herinneringen aan Frank Vandenbroucke. Aan zijn exploten in La Doyenne en Vuelta, aan zijn vrouwen en maskerades. Hoe groezelig de locatie van zijn overlijden ook is, straks gaat hij toch als pedaleur de charme het graf in.

Chrysanten buigen.

Voorjaar 2003. We zaten in een restaurant, ploegleider Patrick Lefevere, Frank Vandenbroucke en steller dezes. Patrick en ik hielden het op een eenvoudige coquille, Frank verordonneerde kaviaar. Hij koos de wijn: Vieux Certan. Het was de vooravond van Parijs-Roubaix. De renner schatte zijn kansen hoog in: ,,Liever de Hel van het Noorden dan de hel van het leven.” Ik geloofde hem. Dacht zelfs: VDB is weer als porfier. Stollingsgesteente van kasseien.

Roekeloze gedachte.

Nu is hij dood. In een shabby hotelletje uitgeluid door een courtisane. Ook in het sterven nog gepluimd. Wat een wansmaak, die dood! Ik kan er niet tegen, zoals ik niet tegen vuile recuperaties van deelneming kan. De laatste dagen veelvuldig uitgesproken door ploegleiders en renners, door kinesisten en psychologen, door pooiers van heroïek. Allen hadden het beste voor met Frank Vandenbroucke, maar toch vooral met zichzelf. Ik zag ze op televisie rouwen, vanuit hun hoge morele standaard. Technocraten van verdriet. Wie weet, kraaien.

Hebben ze ooit een hand uitgestoken? Dan toch de verkeerde hand. Goedbedoeld allicht, maar wel met fatale gevolgen. Insiders wisten: Vandenbroucke is alleen te redden als hij onbekwaam wordt verklaard voor de fiets. Weg uit het peloton, kastanjes kweken! Desnoods een dierenboerderij! Maar telkens weer laaide zijn omgeving mee op in een zoveelste comeback. In de presentatie van een boek, in het va-et-vient van recepties en parades, kortom in de bedenkelijke rafelranden van vergane glorie. Terwijl het heel duidelijk was: alleen een straatverbod voor alles wat peloton is, kan Frank nog helpen.

Alreeds langer dan tien jaar was de renner onderhevig aan explosies van destructie. Aan ranselende eenzaamheid. Altijd weer zocht hij liefde, maar alleen de ruïnes van zichzelf waaiden hem toe. Dat moet je zien, als intimus?

Kampioensleed.

Hoe eenzaam kun je zijn als je als halfgod soelaas gaat zoeken in vissen, kleiduivenschieten en kanaalzwemmen? Zo eenzaam was Frank dus. Jaar in, jaar uit, verduisterde hij zichzelf als toxicomaan. De naderende donkerte van de winter was er te veel aan. Dan maar Marco Pantani achterna, op dezelfde leeftijd, in dezelfde obscure omstandigheden. Vaderlandsloos sterven.

Ik zie het Dirk Scheringa nog niet gauw doen. Hij is van een ander ras. Wielerkampioenen kunnen diep gaan, in de onttakeling. Dat hebben ze geleerd in Parijs-Roubaix, op de Tourmalet, op de Cauberg. Slechts een enkele keer was er een bloemenmeisje dat troost bracht. Of een soigneur.

Frank Vandenbroucke is een aangrijpend filmscenario. Maar waar is de Edith Piaf die zijn eenzaamheid klank kan geven?