Digitale strapatsen

Over het eilandje in de Middellandse Zee waar dit stukje wordt geschreven, raast al twee dagen een storm, windkracht acht. Onwaarschijnlijk hoge golven beuken de rotsen, de veerdiensten varen niet, er komen geen vliegtuigen. Dat betekent: geen kranten. Om te weten te komen wat er in de grote wereld gebeurt en wat daarvan in de grote wereld wordt gevonden, ben ik aangewezen op de digitale bronnen. Dat gaat heel aardig. De kranten zijn altijd van de vorige dag; op internet wordt het laatste nieuws per uur vernieuwd. Daarover niets te klagen. Maar een krant heeft voordelen die je pas ontdekt als je op de digitale voorzieningen bent aangewezen.

Natuurlijk, de redactie van een krant probeert de aandacht van de lezer te leiden. Dat gaat door middel van de opmaak. Hoe groter de kop en hoe vetter de letter, hoe belangrijker het bericht door de redactie wordt gevonden. De lezer is eraan gewend, richt zijn aandacht op het nieuws en de verhalen van zijn voorkeur en slaat de rest over. En dan heb je de advertentiepagina’s waarop de reclamemakers op hun eigen manier om aandacht smeken tot schreeuwen. Omdat ik niets nodig heb hoef ik er niets van te zien. Dat gaat zonder enige moeite, dagelijks, automatisch. Terwijl je een krant leest, blijf je in hoge mate de baas over jezelf.

Nu, als een soort schipbreukeling geïsoleerd op deze rots, wil ik weten hoe het in Afghanistan gaat en wat president Obama de laatste paar uur heeft gezegd. Het digitale schermpje aangezet – de verbinding is uitstekend – en CNN opgetikt. Op de grens met Pakistan zijn negen burgers in de lucht gevlogen en rechts in beeld bungelt iets aan een deurknop heen en weer. Ik wil niet zien wat dat is, ik wil het volgende bericht lezen, over iemand die de naam van de president in steen heeft gekrast en van een hakenkruis voorzien. Het lukt me. Het hakenkruis staat in spiegelschrift maar de bedoeling is duidelijk.

Terug naar af, de startpagina, hoe noem je die in de digitale wereld. In de marge maakt iemand een salto. Waarom? Om mij iets aan te smeren wat ik niet nodig heb. In het nieuwsoverzicht zie ik verder niets wat me interesseert, wissel CNN in voor mijn Nederlandse digitale lijfblad, dat ook al meteen, overzichtelijk op het scherm verschijnt. Daar dwarrelen in de marge in razend tempo oranje pamfletjes naar beneden. Donder op, denk ik. Lees het een en ander over vaderlandse verwikkelingen, de DSB Bank, de Amsterdamse metro, een falend digitaal waarschuwingssysteem. Plus ça change, plus c’est la même chose. De pamfletjes blijven dwarrelen, de reclamemaker blijft proberen schreeuwend in mijn aandachtsveld te springen.

Ik weet het. Zonder het geld van reclame zouden de kranten, papier en digitaal, niet kunnen bestaan. Het Amerikaanse experiment, in de jaren dertig, met een reclamevrij dagblad dat PM heette, is reddeloos mislukt. En wat zou ons straatbeeld zijn zonder reclame. Probeer je eens voor te stellen hoe Times Square er uit zou zien zonder lichtreclame. We zijn eraan gewend, het hoort er allemaal bij, we vinden het mooi. En reclame is de kunst van het aandacht trekken. Daarvoor moet je je nu eenmaal een paar strapatsen veroorloven.

Maar al sinds het begin van de commerciële televisie beleven we wat ik zal noemen een inflatie van het strapatsisme. Steeds meer reclamemakers proberen op steeds plattere manier je hoofd in de richting van hun boodschappen te draaien. Op de televisie geschreeuw, spastisch bekken trekken, platitudes. Het publiek verweert zich. Al jaren geleden is er een prijs bedacht om de meest weerzinwekkende reclame te belonen: de Loden Leeuw, genoemd naar Loekie de Leeuw die vroeger het STER blok aankondigde. Het heeft niet geholpen. Met internet is het erger geworden. Met de pop-ups in de marge van het scherm proberen de reclamemakers je hoofd in een andere richting te draaien. Het nadert tot lichamelijk geweld. En het ergste is dat we niets terug kunnen doen.