De verpleegster, de onderwijzer, de handarbeider, ze voelen zich vernederd door de PvdA

Het verlies aan vertrouwen in onze politieke cultuur door onder andere het AOW-akkoord is zorgelijker dan het verlokkende fluitspel van een Kamerlid dat zich heeft ontpopt als de nieuwe rattenvanger.

Publicist. Schreef onder meer ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ (1996), ‘De eeuw van mijn vader’ (1999) en ‘In Europa’ (2004).

Een paar dagen geleden zag ik hem weer helemaal voor me. Ik was op bezoek in het Leeuwarder stadsarchief en opeens dook daar een foto op, gemaakt bij zijn afscheid, als meester van School 16, rond 1941.

Oom Petrus. Hij zit in het midden, met zijn witte snor die altijd kriebelde als ik, klein jongetje, hem zoende. Naast hem zit tante Maaike – ik zie nu pas hoe broos ze was, die dochter van Troelstra’s hartsvriend, Evert Zandstra, de vrouw die alle ontberingen en alle hoop op een betere toekomst met hem had gedeeld. In zijn jonge jaren als schoolmeester, rond 1910, huurde hij soms, van zijn hele maandsalaris, een plezierschip. Hij deed dat op eigen risico, enkel om een stel arbeidersgezinnen voor een paar centen een mooie zondag te bezorgen en vooral om de mannen uit de kroeg te houden. Maar elke keer kneep hij hem als een oude dief, want als het slecht weer was en er niemand kwam opdagen, was hij zijn maandsalaris kwijt.

Later zei tante Maaike wel ’s tegen me, ze was toen stokoud, het was midden in de woelige jaren zestig: „Jullie beginnen met jullie revolutie waar wij ophielden.” Dat was niet bedoeld als een compliment.

Ik bekijk de foto nog eens goed. Zijn collega’s, de gedreven gezichten, de ogen. Het waren meesters op een lagere school, maar ze kenden hun klassieken, ze lazen en discussieerden over alles wat los en vast zat, ze waren vaak van eenvoudige komaf – zijn vader, mijn overgrootvader, was aan het eind van zijn leven bakkersknecht – maar ze hadden zich uit de geestdodendheid van de armoede een weg naar boven gevochten. Ze voelden zich een voorhoede, maar tegelijk hadden ze een heilig ontzag voor de arbeid, voor het gewone werk dat dag na dag moest worden gedaan.

Oom Petrus. Ik ben blij dat ik hem terugzie, maar de foto maakt me tegelijkertijd treurig. Ik voel een groot verlies, al kan ik dat niet goed uitleggen.

Ja, er trekt weer een Rattenvanger van Hamelen – je hoort die vergelijking steeds vaker – door de Nederlandse straten, een ijdele kruisvaarder die met zuurzoet gefluit een steeds langere staart van volgelingen achter zich verzamelt. Dat is zeer zorgelijk, zeker, maar het is niet de belangrijkste reden waarom ik opeens zo anders tegen deze oude foto aankijk. Wat rond Wilders gebeurt is bovenal een symptoom, een symptoom van dieperliggende problemen.

Er zijn in het hedendaagse Nederland zeker drie depressiegebieden die, met of zonder populisten als katalysator, samen voortdurend voor stevige politieke stormen zorgen en dat voorlopig ook blijven doen. Zeker nu de pijn van de economische crisis steeds scherper voelbaar wordt.

Allereerst zijn er de media, die zelf in een vliegende storm zijn beland. De oplages van de dagbladen hollen achteruit, de publieke omroepen weten zich geen raad en de techniek heeft een nieuw wonder geschapen: internet. De concurrentie tussen de media is, in vergelijking met vorige decennia, moordend. Elke sensatiequote telt, elke scheut adrenaline is er eentje, de toon op internet is ongekend polariserend.

Die wijze van publiceren, debatteren en redeneren heeft zich de afgelopen jaren uitgebreid naar de andere media en de samenleving als geheel. En zo langzamerhand is die toon de norm geworden. Wat er ook gezegd wordt, nonsens, racistische kletskoek, het geeft allemaal niets. Als het bloed maar stroomt, eten journalisten uit je hand.

In de tweede plaats zijn er de problemen rond de nieuwkomers, met name uit Marokko en Turkije. Die problemen moeten niet worden gebagatelliseerd. Het gaat niet alleen om de aanpassingsproblemen van immigranten uit achtergebleven dorpen in een moderne stad, die al lastig genoeg zijn. Ongewild zijn we in West-Europa in de frontlinie van een moeizaam moderniserende islam terechtgekomen. Dat dwingt iedereen, zowel nieuwkomers als gevestigde Nederlanders, tot kritisch nadenken over normen en waarden, en ook over zichzelf – een van de meest waardevolle tradities uit de Verlichting. Maar het leidt, althans in deze fase, ook voortdurend tot spanningen.

Het zijn vooral deze vraagstukken die het fluitspel van onze Rattenvanger zo aantrekkelijk maken. Althans, dat vindt hij zelf, en veel van zijn tegenstanders zijn het daarmee eens.

Voor een deel klopt dat. Er ligt hier echter wel een addertje onder het gras. Het almaar opnieuw tamboeren op de zorgen rond moslimimmigranten is immers ook buitengewoon demotiverend voor alle nieuwkomers – en die vormen de overgrote meerderheid – die zich wel, en vaak in een verbluffend tempo, ontwikkelen tot medeburgers met wie iedereen heel blij mag zijn.

De permanente anti-islamcampagne heeft een modderlaag van vernedering gelegd over alles en iedereen die ooit maar afkomstig was uit een moslimland. Uiteindelijk dwingt zo’n kruistocht deze immigranten tot een pijnlijk dilemma: wil ik nog wel behoren tot een land waarin zoveel mensen mijn afkomst en mijn tradities – en dus mijzelf – afwijzen? Moet ik niet verhuizen? Of moet ik me opsluiten, gevangen tussen de wal en het schip van een oude en een nieuwe cultuur?

Er ontstaat zo, zeker bij sommige jongeren, een self-fulfilling prophecy, een verwijt van onaangepastheid dat, in zijn afwijzing, juist die onaangepastheid versterkt. Je moet, zeker als immigrant, stevig in je schoenen staan om tegen die stroom op te blijven roeien.

Daarmee kom ik op de derde depressie die deze storm veroorzaakt, en naar mijn gevoel de belangrijkste. Op 1 mei was er altijd een grote PvdA-optocht in Leeuwarden, met vlaggen en fanfares, en altijd liep oom Petrus vooraan, pal achter het rode vaandel. Wij hoorden tot de andere zuil, die van de gereformeerden, en mijn moeder geneerde zich kapot als ze hem zo zag lopen. Die scheiding der geesten was aan het eind van zijn leven eigenlijk al achterhaald. Hij was er, volgens mij, ook niet rouwig om: iedereen, arm en rijk, gelovig en niet gelovig, ‘onverdeeld’ naar één openbare school – dat was altijd zijn ideaal.

Toch heeft deze ontzuiling binnen de Nederlandse samenleving veel grotere gevolgen gehad dan we ooit dachten. De starre indeling in zuilen fungeerde een groot deel van de twintigste eeuw immers ook als rem op de opkomst van allerlei populistische bewegingen. Nu bestaat die traditionele orde niet meer. En dat niet alleen: de interne structuur van de zuilen, zeker de zuilen waartoe mijn oom Petrus en mijn ouders behoorden, kenden allerlei informele systemen van verantwoording jegens, en tegelijk, disciplinering van de achterban. De Friese Kamerleden kregen het op de afdelingsvergaderingen van de PvdA en de ARP stevig voor hun kiezen. De zuilen, plechtiger gezegd: de elite, boden een informeel maar stevig legitimatiesysteem, naast de andere vormen van politieke en juridische controle.

Dat is allemaal verdwenen. De politieke elite opereerde de afgelopen jaren steeds stuurlozer en deed rare dingen – inderdaad, het negeren van de problemen in de wijken, maar ook onderwijs, zorg, wat je allemaal hoort van de uitvoerders, de leraren, politiemensen, bejaardenhulpen en al die anderen – de haren rijzen je te berge. En het is structureel, je hoort die verhalen overal, elke dag.

Er heeft zich tussen de bestuurders en degenen die het gewone werk opknappen, een nieuwe kaste gewrongen. Vaak opgeblazen types die zichzelf tooien met titels als consultant of interim-manager, die zich vorstelijk laten belonen, die dol zijn op procedures en prestatiemodellen maar zelden goed op hoogte zijn van het feitelijke werk, en die allang weer verdwenen zijn als de gevolgen van hun daden merkbaar worden. Het woord ‘afrekenen’ ligt bij hen voor in de mond, maar nooit, nooit worden ze zelf afgerekend op hun werk.

„De mensen die Nederland hebben opgebouwd, worden kapotgemaakt”, zei onlangs een bejaardenverzorgster in deze krant. Ze zag veel te veel managers en veel te weinig handen aan het bed. Maar het bejaardenconcern waar zij in dienst was, had wel geld voor een duur lustrumfeest. Ja, we kennen het verschijnsel uit de voormalige communistische wereld. Apparatsjiks heetten ze daar. Ja, die verzorgster stemde Wilders.

Er is, kortom, langzamerhand in Nederland een gigantisch legitimatieprobleem ontstaan. Je leest het al jaren in de bizarre statistiek die zich keer op keer herhaalt: terwijl het overgrote deel van de Nederlanders heel tevreden is met het bestaan, heerst er tegelijk een verbluffend groot wantrouwen jegens politici en de politiek in zijn algemeenheid. Dat wantrouwen was er altijd al onder sommige groepen, maar nu stuit je, bijna dagelijks, ook op brave, nette burgers, leden van de kerkenraad en Amnesty International, vanouds keurige christen- en sociaal-democratisch kiezers, die door een of meer ervaringen met dat bestuur diep geschokt zijn. Het gaat hier om een verlies aan basisvertrouwen in onze politieke en bestuurlijke cultuur als geheel. En dat is nog veel zorgelijker dan het fluitspel van onze Rattenvanger.

Mij oom Petrus las, in zijn tijd, gretig de linkse essayist Jacques de Kadt die de vloer aanveegde met de liberaal-conservatieven, en hun wankelmoedige houding jegens het opkomend fascisme. De deftigheid in het gedrang, heette dat beroemde essay. Dat was in januari 1936. Vandaag zijn de rollen omgekeerd. ‘De deftigheid’, dat is nu zijn eigen partij.

En nu wordt de Bastille van de elite dus bestormd, keer op keer. Wilders is, meer dan wat ook, een symptoom van dát probleem. En het is ook niet toevallig dat de typische bestuurderspartijen – de liberalen, de christen-democraten en vooral de sociaal-democraten – het zwaarst getroffen worden.

Alle gezichten op deze foto van oom Petrus en zijn collega’s stralen vastberadenheid uit: ja, wij gaan het volk ‘verheffen’, zoals dat toen heette. Maar altijd, ik schreef het al, werd de cultuur van de arbeid hoog in het vaandel gehouden.

Nu is dat heel anders. Er heeft op alle mogelijke terreinen een onvoorstelbare mechanisatie plaatsgevonden, van aardappelrooien tot straatvegen toe, maar nog altijd bestaat er ontzettend veel handwerk – of bijna handwerk. Met name het kader van diezelfde PvdA heeft deze doorsneewerkers – ooit de basis van de partij – volstrekt uit het oog verloren. En daarmee heeft de PvdA die groepen de wildernis ingestuurd. Met andere woorden: het grote probleem ligt, uiteindelijk, niet bij ultrarechts, maar bij de middenpartijen.

Ik kan dat illustreren met een paar waarnemingen uit het Friese dorp waar ik de laatste jaren veel van mijn tijd doorbreng. Het gaat daarbij, merk ik, om iets anders dan een verwaarlozing van de materiële belangen van deze groep – dat valt allemaal best mee, maar met de abrupte verhoging van de AOW-leeftijd zal dat zeker veranderen. Tot nu toe ging het alleen om de vernedering. De verhoging van de pensioenleeftijd, waarbij het erop lijkt dat het vooral draait om bezuinigingen, kan leiden tot een culminatie van onvrede.

Het is vooral, wat ik maar noem, de cerebralisering van het bestuur die deze groepen diep geraakt heeft, de overhand die het management boven de inhoud heeft gekregen, de kennis boven de fysieke arbeid, het hoofd boven de hand.

Eén voorbeeld uit velen: de uitspraken en het beleid van de PvdA-staatssecretaris voor Onderwijs over de dorpsscholen. Daar liggen soms forse problemen, zeker. Maar ze heeft vermoedelijk geen idee hoe het daar toegaat. Die schooltjes doen namelijk vaak iets waar men in de steden alleen maar van kan dromen: de gemeenschapszin is er nog zo sterk dat ze met man en macht proberen iedereen binnenboord te houden, ook de sociaal zwakken, ook de kinderen die in een stadswijk allang naar het speciale onderwijs zouden zijn doorgestuurd.

De Theo Thijssens daar – ja, die heb je nog – zorgen er vaak met onvoorstelbaar veel geduld en warmte voor dat ook de kinderen van boerenhulpen en grondwerkers de wereld een beetje kennen, redelijk kunnen rekenen en de Leeuwarder Courant kunnen lezen en begrijpen. Die kinderen groeien, net als ooit hun ouders, meestal uit tot prima werkers, gewaardeerde medeburgers en nog zo wat, maar verder leren is te veel voor hen. Toch hamert de PvdA er keer op keer op dat zoiets helemaal mis is. De sociaal-democraten – ja, vooral zij – blijven verkondigen dat ze deel uitmaken van ‘een zes-mincultuur’, dat hun scholen niets waard zijn en hun dorpen en buurten achtergebleven gebieden zijn.

Los van het feit dat het vaak nergens op slaat, beseffen zulke sociaal-democraten – en ze zijn niet de enigen – wel dat zoiets op den duur voornamelijk vernederend is? Voor deze jeugd en hun ouders, maar ook voor hun meesters? Wat wil je: goede burgers of aapjes die voornamelijk gedrild zijn om acceptabele cijfers te leveren, omdat de Citotoetsen nu eenmaal de belangrijkste meetinstrumenten zijn voor functionarissen die anders geen grip kunnen krijgen op hun werkterrein, omdat de dagelijkse praktijk hen vreemd is?

In mijn dorpscafé, op vrijdagavond, zitten leraren en ambtenaren, zeker, maar het zit er ook vol met mannen en vrouwen die door de week riolen graven, terreinen egaliseren, schoonmaken, kabels trekken, cv-installaties aanleggen, kozijnen timmeren, voor de klas staan, zieken verplegen, koeien melken en in bejaardenhuizen billen afvegen. Ja, er zijn goddank nog altijd mensen die dat doen, niet zelden zelfs met behoorlijk wat burgerzin. Maar voor de huidige sociaal-democratie bestaan ze niet meer, ze zijn eigenlijk mislukt, omdat ze niet mee konden of wilden doen in de maar immer opgaande kenniseconomie. En ze worden in geen enkel opzicht beschermd tegen de beunhazen die zich maar al te vaak boven hen genesteld hebben, en die geen idee hebben van de feitelijke inhoud van hun werk.

In zekere zin doet het denken aan de blindheid voor de integratieproblemen die tijdens de jaren negentig in sommige kringen heerste. Dit is iets soortgelijks. Deze mensen zijn veel te beschaafd – ja, dat hebben ze van hun ouders en die zogenaamd ondermaatse schoolmeesters wel meegekregen – om ooit op Wilders te stemmen. Ze stemmen zelfs vaak nog PvdA, meer uit gewoonte dan uit overtuiging, en niet zelden vooral om Wilders tegen te houden.

Op een paar PvdA-bestuurders en politici hebben ze nog hun hoop gevestigd, omdat ze voelen dat die aan hun kant staan. Maar ze zijn wel woedend en diep gekwetst, omdat hun gezwoeg totaal niet wordt gezien, laat staan gewaardeerd. De cynisch geworden leraar, dokter of straatagent, de schoolmeester of bejaardenverzorger die er, gedesillusioneerd, de brui aan heeft gegeven – wat kom je die vaak tegen, de laatste jaren. Van een onderwijzer als Theo Thijssen zou, in deze tijd, allang door een of andere apparatsjik van een onderwijskoepel een dossier zijn aangelegd: te eigenwijs, snel afvoeren. De meesters en juffen die les geven met dezelfde idealen als mijn oom Petrus, wat hebben ze het zwaar te verduren. En ze stellen, met reden, hun eigen PvdA hiervoor verantwoordelijk. Deze mensen zullen de Bastille misschien niet bestormen. Maar ze zullen hem zeker ook niet meer verdedigen.

Vernedering is besmettelijk. Vernederde mensen hebben de neiging om hun vernedering door te geven aan anderen. We schoppen graag omlaag als we in de knel zitten.

De grote en kleine culturen waarin we leven en werken vormen onze persoonlijkheid, op allerlei manieren. Oom Petrus en zijn collega-meesters en -juffen waren dag na dag bezig met het onderhouden en verstevigen van de grote cultuur van de Nederlandse sociaal-democratie, een cultuur van wederkerig respect, vertrouwen en saamhorigheid. Een cultuur die, wat dat betreft, niet veel verschilde van de culturen van de andere zuilen.

Daarbinnen hoorden ook kleine culturen. Als je kunt zeggen dat je een automonteur, student of kraanmachinist bent, als je jezelf kunt herkennen in duidelijke groepen en identiteiten, dan is er al sprake van zo’n cultuur. Zo’n cultuur heeft weinig slogans en symbolen nodig, die is er gewoon, op een vanzelfsprekende manier.

Maar het kan ook anders gaan. Grote en kleine culturen kunnen ook vernietigd worden. ‘Deculturatie’ noemt men dat, het fenomeen dat mensen hun oorspronkelijke cultuur kwijtraken zonder een andere te verwerven, en uiteindelijk alleen nog maar kunnen schoppen.

Dat proces van deculturatie is nu op meerdere plaatsen gaande. We signaleren het bij de immigrantenjeugd, we beklagen, terecht, het verlies van bepaalde buurtculturen, maar we zijn blind voor de massieve culturele leegte die is ontstaan doordat zoveel mensen ook nog eens de waardering en het geluk bij hun arbeid is ontnomen. Met die permanente ontkenning van hun persoonlijke vakkennis en andere kwaliteiten, die nu al jarenlang gaande is, zijn ze niet alleen diep vernederd. Er is iets in hen doodgemaakt, een gevoel van richting is uit hun bestaan verdwenen.

En dan is het fluiten van de Rattenvanger verleidelijk.

Een uitgebreide versie van dit artikel, in een wat andere vorm, is te vinden op www.geertmak.nl