Winnie-de-Poeh en de lijkenpikkers

‘Die ewige Wiederkunft’ zou Nietzsche het noemen. ‘Ideeënarmoede’ oordelen de criticasters. Afgelopen weken werd de boekenwereld opgeschrikt door twee zogenaamde sequels op klassieken uit de wereldliteratuur. De achter-achterneef van Bram Stoker publiceerde een vervolg op de ultieme, en al vaak geïmiteerde, vampierroman Dracula (zie p. 12 van deze bijlage); en David Benedictus kwam in Terug naar het Honderd-bunders-bos met nieuwe verhalen over Winnie- de-Poeh (Boeken 09.10.09).

Gematigd enthousiasme bij de critici; grote verontwaardiging bij de fans-oude-stijl, die eisen dat de herinnering aan de meesterwerken van Stoker en Milne onbezoedeld blijft; wijze berusting bij een ieder die beseft dat er niets nieuws onder de zon is. Schreef Homerus zelf al niet een sequel bij zijn succesepos Ilias? Alexandre Dumas bij het immens populaire Les trois mousquetaires? Lewis Carroll bij zijn instantklassieker Alice in Wonderland?

Ja, zeggen de puristen, dat zal best. Maar het waren de schrijvers zelf die dat deden. Wij keren ons tegen lijkenpikkers, literair vampirisme.

En Jean Rhys dan, die met Wide Sargasso Sea een feministische klassieker schreef in de vorm van een vervolg op Jane Eyre? Of Sebastian Faulks, die in Devil May Care bepaald niet onverdienstelijk voortborduurde op de James Bond-saga van Ian Fleming? Voorbeelden te over van geslaagde variaties op literaire klassieken. En belangrijker: zelfs als ze minder geslaagd zijn, of bedoeld als parodie, houden ze de eeuwige titels levend. In Engeland ondergaat Jane Austen haar zoveelste revival, dankzij het succes van Pride and Prejudice and Zombies en Sense and Sensibility and Sea-Monsters, romans waarin de tekst van Austen voor tachtig procent is gehandhaafd en aangevuld met moderne kwaliteitshorror.

It lives! Dat kunnen we van geen klassieker uit de Nederlandse literatuur nog zeggen. Hoogste tijd dus voor Max Havelaar tegen de leyaks; Schuim en asch en bloedpus; Opwaaiende zomerjurken en witte wieven.