Waarom doe ik toch wat ik doe?

In zijn dagboeken vecht de dichter Leonard Nolens met zichzelf en de rest van de wereld. Ook in het recente dagboek valt het alleen zijn weer flink tegen.

Leonard Nolens: Dagboek van een dichter 1979-2007. Querido, 1.056 blz. € 39,95.

‘Wat een zielig personage ben ik geworden’, noteert Leonard Nolens eind maart 1997 in zijn dagboek, ‘een karikatuur van de poète maudit. [...] Alsof een gezonde, evenwichtige man geen poëzie zou kunnen schrijven.’ Nolens, winnaar van onder andere de Constantijn Huygensprijs en vorig jaar nog de VSB Poëzieprijs, zou het jaar waarin hij vijftig werd in een latere notitie typeren als een rampjaar. Hij was af en toe flink aan de drank, takelde fysiek af en hij had een troebele geest. En altijd de twijfel dat alle ellende ook nog eens voor niks is geweest – wat voor Leonard Nolens inhoudt dat er niets van waarde op papier is verschenen. Het leven staat in dienst van de letter.

Met Dagboek van een dichter 1979-2007 zijn de dagboeken Stukken van mensen (1989), Blijvend vertrek (1993), De vrek van Missenburg (1995), Een lastig portret (1998) plus de nog niet eerder gepubliceerde notities die Nolens tussen 1997 en 2007 maakte, gebundeld. De liefhebber zal het moeten doen met die dertig geboekstaafde jaren, want in de verantwoording achterin deze baksteen van ruim 1.000 pagina’s staat vermeld dat Nolens in 2007 zijn dagboek heeft ‘afgesloten’. Het zal voor de nog niet ingewijde lezer wat plechtig klinken. Afsluiten, alsof hij een relatie verbreekt, of met een groot hangslot zijn oude huis vergrendelt. De lezer hoeft echter maar een paar pagina’s van het boek tot zich te nemen om te beseffen dat ‘afsluiten’ in geen enkel opzicht een overladen term is voor het gegeven dat Nolens geen dagboek meer bij zal houden.

In de dagboeken is Nolens met zichzelf en met de rest van de wereld in gevecht. Hij lijkt zichzelf af en toe tot de orde te roepen, of in ieder geval zichzelf eraan te herinneren waarom hij iedere dag doet wat hij doet. ’s Ochtends vertrekt hij, terwijl de meeste mensen op weg gaan naar hun werk, naar een eenzaam werkvertrek om daar aan zijn dichterlijke oeuvre te werken. In de slagschaduw van zijn gedichten ontstaan zijn dagboeken. In zijn meest wanhopige, onvruchtbare dagen slaat de twijfel toe en zit hij vast in zijn zelf verkozen monnikenbestaan. Dan schrijft hij dat de schrijver ‘een verdoemde is, omdat wie in zichzelf begint te praten zich afzondert van de anderen. En het enige wat hem van die doem kan verlossen schrijven is’.

Wat het ook moge inhouden, Nolens lijkt op die moeilijke momenten te verlangen naar dat leven met (of: van) die anderen; hij vindt dat hij ‘te jong van het schip is gesprongen’. Op z’n strijdbaarst roemt hij zijn moed om niet aan het maatschappelijk ideaal van carrièrezucht en geldlust te voldoen. De rode draad van Dagboek van een dichter is een kunstenaar die de gevolgen in aanschouw neemt van een teruggetrokken, autonoom bestaan.

Behalve in zichzelf zet Nolens ook de bijl in aantal andere zaken. Zo trekt hij fel van leer tegen de uitwassen van het postmodernisme, dat er met een alles relativerende vrijblijvendheid voor verantwoordelijk zou zijn dat jonge talenten van alle bevlogenheid en oorspronkelijkheid worden beroofd. Aan de postmoderne achterdocht tegen het wroeten in een ‘ik’ heeft Nolens, die men een egomane romanticus zou kunnen noemen, een grote hekel en het drijft hem tot prikkelende en erudiete tirades. Critici die geen liefhebber zijn van Nolens’ stiel krijgen harde klappen. Het blijft dan gelukkig niet bij op de persoon gerichte scheldpartijen, maar mondt vaak uit in de boeiendste passages. Nolens is op die ogenblikken de vurige strijder voor een literatuur waar bloed doorheen stroomt. Het is dat de dichter bij tijden zichzelf al genoeg in de weg zit, want ook buiten het eigen spectrum spart hij op overtuigende wijze met zijn demonen. Ironisch genoeg vindt de dichter, die zichzelf het liefst zou losweken van de wereld, juist vaak de juiste toonhoogte als hij er zich juist wel iets van die wereld aantrekt.

‘In feite komt het hier neer:’, schrijft hij in 2002, ‘wie zijn droom wil realiseren moet in de kooi; hij moet zijn eiland zoeken en maken, hij moet een vorm van alleenzijn aanvaarden en scheppen, en dat kan alleen wie het al was van nature: alleen. En wie het alleenzijn ontvlucht, die is gezien.’ Hij heeft het nodig, dit soort zekerheden, om het vertrekpunt van zijn werk voor zichzelf te rechtvaardigen. Is het ‘waar’ dat buiten deze specifieke kooi geen geschriften van waarde ontstaan? Naar alle waarschijnlijkheid niet (want kooien zijn overal te vinden), maar Nolens creëert er een fundament mee voor zijn eigen scheppende werk.

Ernst is de lijm die dit dagboek bindt, want Nolens is zelden lichtvoetig. Een bewering dat ‘een mensenleven de historie van een hart is’, vertrouwt hij zonder ironie toe aan het papier. Over zijn poëzie: ‘Wie mij wil lezen, moet ook zelf over de hoge drempel van zijn eigen onbereikbaarheid, zijn singulariteit. Hij moet zelf naar de allerstilste, eenzaamste kamer van zijn huis om het meest schaarse goed te ontdekken: de woord geworden onmededeelzaamheid van mens tot mens.’

De dwingende aard van zulke regels is kenmerkend voor dit boek, dat met bloed, zweet en tranen tot stand is gekomen en dat alleen al door die toewijding respect afdwingt. Wanneer er steeds grotere mazen in het dagboek vallen en hij de laatste vijf jaar zelfs in slechts 45 pagina’s behandelt, weet je dat hij de vrijgemaakte energie in zijn poëzie heeft gestoken.