Veroordeeld tot Weende en Jipsingboermussel

Wie zoveel schoonheid en erbarmen weet te leggen in zoiets leegs en onaangedaans, is een waarachtig kunstenaar, aldus Elsbeth Etty over Allard Schröders Wenst (Bezige Bij, 18,90). Zie pagina 10

Allard Schröder: Wenst. De Bezige Bij, 189 blz. € 18,90

Een jonge vrouw staat ’s nachts op een balkon. Behalve de sterren en de uitgestrekte duisternis van akkers ziet ze niets. Ze ruikt slechts ‘een landlucht en de geur van vermoeide aarde’. Een troosteloze bedoening. “Ik wil hier niet zijn”, zei ze hardop tegen zichzelf. Wenst, zo luidt de fictieve naam van het Oost-Groningse gehucht waar dit tafereeltje zich afspeelt.

Allard Schröder, geboren in het Groningse Haren, reisde in romans als De Hydrograaf (2002) en Amoy (2009) de hele wereld over, maar blijft in zijn nieuwe boek dicht bij huis. Hij kent het Groningerland, Westerwolde, het Oldambt. Bij hem geen lofzangen op de weidsheid, het licht, de lucht of de schitterende door C.O. Jellema bezongen eeuwenoude kerkjes. In acht verhalen, stuk voor stuk stilistische hoogstandjes, schetst hij het leven van mensen die veroordeeld zijn tot een bestaan in dorpen als Jipsingboermussel, Smeerling, Weende of Ter Wisch, plekken waar niemand wenst te wonen.

Alle verhalen in Wenst spelen zich af in het begin van de jaren vijftig toen het leven op het Groningerland armoediger en kaler was dan tegenwoordig. Boertange, Oudeschans, Bellingwolde zijn nu smaakvol gerestaureerde toeristische trekpleisters waar het bij mooi zomerweer goed toeven is. In de tijd die Allard Schröder beschrijft, hadden bewoners die naar ‘de stad’ (Groningen) wilden om inkopen te doen, of voor een concert, de film, de hoeren, geen auto voor de deur. Als het stormde, glad, glibberig, nat en mistig was, meestal dus in deze verhalen, konden ze geen kant uit. Het enige vermaak was de dagelijkse gang naar de dorpskroeg. Maar hoe weg te komen uit Wenst en waarheen?

In het verhaal ‘Aardengel’ rechtvaardigt een ingedutte veertiger voor zichzelf dat hij gebleven is. ‘Misschien had hij ook wel weg willen gaan, als hij had geweten waarheen. De bruinen hadden destijds dat Duitsland van ze gehad, waar ze naar toe konden. Het lag vlakbij, even verderop in de modder van het moor begon het al. De socialen hadden hun Rusland, waar ze gras aten tot ze er dood bij neervielen. Nee, hij had altijd instinctief geweten dat Wenst de beste plek voor hem was.’

Alleen wie ‘anders’ was, afweek van de norm en sterk genoeg om zijn fantasieën te volgen, slaagde erin te ontsnappen, maar meestal lukte dat niet. Boekhouder Engelbert Vos krijgt in ‘Uit het raam kijken in 1952’ in ‘de stad’ een affaire met een getrouwde balletlerares. Hij durft niet door te zetten en keert terug naar zijn bloedeloze verloofde in Wenst. ‘Niemand wist dat zijn terugkeer een terugtocht was geweest.’ De analfabeet Gezinus Boltz van de uitdragerij wordt van huis gelokt door de opwindende geur van een document dat hij in een oude kast vindt. Het stuk papier wijst hem de weg naar het Alhambra en dwars door het Boertanger Moor gaat hij op zoek naar Granada. Op een nabijgelegen Duits treinstation verliest hij zijn verstand, hij wordt ingerekend en eindigt in een gesticht. ‘De Winschoter Courant was het enige dagblad dat er melding van maakte.’

Een enkeling lukt het wel om te vertrekken, zoals de agressieve Arend Donker. Die belandt via het Vreemdelingenlegioen in Indochina. Tijdens een kort verlof in Wenst wijst hij zijn wellustige dorpsgenote Geesje af: ‘Jij bent van hier en ik wil met niemand van hier meer iets te maken hebben.’ In het enige in de ik-vorm geschreven verhaal van de bundel slaagt een jongen van een jaar of tien, een vriendje van de verteller, erin Wenst voorgoed te verlaten. Deze Balther laat zich meetronen door een homoseksuele man met een hakenkruis op zijn dolk. En wat daarvan ook moge komen, de ik-figuur is diep jaloers. ‘Een ogenblik wilde ik dat ik het was die daarginds instapte. De wereld in.’

Balther onderscheidt zich van hen die in Wenst blijven door zijn gevoeligheid en artisticiteit en lijkt daarin op Allard Schröder. Wie zoveel schoonheid en erbarmen weet te leggen in de beschrijving van zoiets leegs en onaangedaans als het hier fabuleus beschreven landschap en zijn bevolking is een waarachtig kunstenaar.

Wenst lijkt met zijn evocaties van in mist opgaande dromen op een najaarseditie van Gorters Mei, waarin het ontluikende leven heeft plaatsgemaakt voor dodelijk vermoeide aarde.