Trainingspak en witte jas in één team

Sporters, kennisinstituten en bedrijven willen innoveren in dienst van de topsport.

Op een congres in Eindhoven werden nieuwe initiatieven gepresenteerd.

Bestond er maar een apparaatje, verzuchtte schaatsster Ireen Wüst begin dit jaar, dat aangeeft wanneer je beter in je bed kunt gaan liggen dan door te schaatsen. Ze was moe en verkouden. Het liep niet. Maar waarom vinden we dat machientje in Nederland niet uit? Inspanningsfysioloog Hanno van der Loo wierp die vraag dinsdag op tijdens het congres Sport, Wetenschap en Technologie, aan de TU Eindhoven. „Negen van de tien keer is de boodschap aan de sporter: uitrusten”, verklapt hij alvast.

Een compact land als Nederland, met veel sporters, hoogwaardige bedrijven en technologische instellingen, moet de krachten zodanig bundelen dat het uitgroeit tot het ‘Silicon Valley van de sport’, vindt Van der Loo van InnoSportNL, opgericht door sportkoepel NOC*NSF om kennisvragen uit de sportwereld onder te brengen bij bedrijven en kennisinstituten die oplossingen kunnen ‘maken’.

De groeiende innovatiedrang past bij de grote ambities die de Nederlandse overheid en de sportwereld de laatste maanden hebben uitgesproken – zoals de structurele aansluiting bij de wereldtop. Dat zijn geen holle frasen meer, constateert technisch directeur Maurits Hendriks van NOC*NSF. „Ik heb echt het idee dat Nederland langzaam uit een lange winterslaap ontwaakt. Alle partijen willen daadwerkelijk investeren – en dat in een tijd van crisis. Dit is het moment.”

Innovaties zijn hard nodig ook, meent Hendriks, die in de hockeywereld al bekend stond als een vernieuwer. Eerder dit jaar zei hij nog dat werkelijk innovatief denken geen gemeengoed is onder Nederlandse coaches. „Dat heeft te maken met onze cultuur. In Angelsaksische landen wordt topsport bedreven op universiteiten. Sporters en wetenschappers hebben dagelijks contact met elkaar, wisselen ideeën uit. Wij hebben dat niet op onze clubs.”

Eén van de eerste dingen die in zijn ogen moet veranderen is een verhoging van het maximale niveau van de opleidingen voor coaches, tot hbo-niveau, om het kennisniveau op te schroeven. Nu is mbo nog het hoogste niveau.

Volgens Van der Loo is nog veel winst te behalen voor sporters, alleen al door hun dagelijkse bezigheden te onderzoeken, zoals een warming-up. „Waarom zou elke sporter twee rondjes rennen en een beetje rekken? We weten vaak niet wat de beste methode is.” Dat geldt zelfs voor een nog meer alledaagse bezigheid als slapen. Van der Loo: „Er zijn duidelijke aanwijzingen dat tijdens de slaap de werkelijke fysiologisch en motorische veranderingen van het lichaam plaatsvinden, als gevolg van wat een sporter overdag heeft gedaan in de training. Maar we weten er bar weinig van. Wat is nou een goede slaap voor een sporter?” Topsport, stelt hij, is een doorlopend experiment.

Goede metingen zijn essentieel, zegt Van der Loo. Hij verbaasde zich erover dat de roeiers van de voortijdig uitgeschakelde Holland Vier een maand na ‘Peking’ nog steeds niet wisten wat er mis was gegaan. „Als een bedrijf zo’n zeperd haalt, wil je op z’n minst weten waar het aan lag.”

Een van de plannen is om zogenoemde embedded scientists te stationeren in de sport, wetenschappers die sporters en coaches dagelijks ondersteunen. Op sportcentrum Papendal, in zwembad De Tongelreep en in Thialf zijn de man in de laboratoriumjas en de man in trainingspak al bij elkaar gebracht, zoals oud-atleet Kamiel Maase het beschrijft. Hij is nu coördinator wetenschappelijke ondersteuning topsport bij NOC*NSF.

Op Papendal wordt in januari een sportwetenschappelijke helpdesk geopend waar sporters en coaches terecht kunnen met vragen over de laatste onderzoeken. Hendriks: „Daar moet een redactie komen met een vertaalservice. In topsportlanden als Japan en Zuid-Korea komt heel veel wetenschappelijk sportonderzoek uit, maar we weten daar niets van. Die stukken moeten we opspeuren en herschrijven zodat een Nederlandse coach er wat mee kan. Dat wordt wel heel duur.” Maar zulke vernieuwingen acht hij noodzakelijk.

Inmiddels werken wetenschappers en bedrijven al in tal van sporten samen met mensen in de sportwereld. Zoals bij het bobsleeën met de nieuwe hightechbob voor de Spelen van 2014. „We zijn bezig met tien tot twintig nieuwe projecten”, zegt Maase. Maar de ‘voorsprongdossiers’ blijven confidentieel.

Hendriks beseft dat sporters, zakenmensen en wetenschappers verschillende belangen hebben. „Een wetenschapper wil over zijn innovatie publiceren, een sporter wil het geheimhouden en een bedrijf wil geld verdienen. NOC*NSF stapt niet in een innovatieproject om een markt van honderd miljoen consumenten aan te boren. Daarover worden van tevoren wel afspraken gemaakt.”

Bij alle vernieuwingen staat voor de sporter centraal dat hij er iets aan heeft. Maase: „Het gevaar bestaat dat ze anders verstrikt raken in allerlei technologische hoogstandjes en gadgets. Je moet je altijd afvragen of een atleet er harder van gaat lopen. Het doel moet zijn: citius, altius, fortius.”