Toneel was haar echte leven

Haar carrière begon bliksemsnel. Te snel eigenlijk, zei Sacha Bulthuis later. Ze had lang de tijd niet om echte ervaringen te gebruiken.

Gistermiddag is in haar woonplaats Den Haag toneelspeelster Sacha Bulthuis op 61-jarige leeftijd overleden. Zij leed aan longkanker. Sinds haar vroege jeugd was ze betrokken bij het toneel. Zij speelde bij vooraanstaande gezelschap als Globe en De Appel. Zij kreeg twee maal de Theo d’Or.

Buiten het theater gaf Sacha Bulthuis er de voorkeur aan een onopvallende verschijning te zijn in haar geliefde Den Haag. Maar betrad zij het podium, dan wist zij op briljante wijze de aandacht te vangen en het publiek te ontroeren. Met haar zangrijke stem en de altijd treffende dictie wekte zij tekst en personage tot leven.

Voor haar was toneelspelen het werkelijke leven; al het andere leek bijzaak. Met het overlijden van Sacha Bulthuis verliest het theater een ongeëvenaarde actrice voor wie oprechtheid en integriteit in het toneelspel de belangrijkste eisen waren.

Alexandra Paula Maria Bulthuis werd op 24 mei 1948 in Doorn geboren als dochter van de onlangs overleden Haagse schrijver Rico Bulthuis. Sinds 1971 is Sacha Bulthuis aan het theater verbonden. In dat jaar slaagde zij voor de Toneelschool in Amsterdam en debuteerde ze tijdens het Holland Festival in de voorstelling Bacchanten ’71. Al in 1974 werd zij onderscheiden met de Theo d’Or voor haar rol in Een vleug honing bij het gezelschap Globe. Bulthuis ontwikkelde zich tot een actrice die de belangrijke rollen in het wereldrepertoire, van de Griekse klassieken tot Shakespeare en Pinter, moeiteloos wist te vertolken op haar kenmerkende, licht-geëmotioneerde, glasheldere en soepele stijl. Nooit zag je aan haar spel hoe hard ze werkte aan die perfecte vanzelfsprekendheid. In een interview voor de de documentairereeks Allemaal theater zei ze: „Als het mij te makkelijk af dreigt te gaan, doe ik een kiezelsteentje in mijn schoenen. Dan heb ik iets om tegenop te acteren”.

Enige tijd geleden moest ze wegens haar ziekte de rol als grootgrondbezitster Ljoebov in Tsjechovs De Kersentuin bij het Nationale Toneel teruggeven. Ze zou geregisseerd worden door Erik Vos, de toneelvernieuwer die met zijn Haagse groep De Appel een vast en inspirerend huis vormde voor Bulthuis. In 1993 verwierf zij opnieuw de Theo d’Or, ditmaal voor haar rol als Lotte in Groot en Klein van Botho Strauss.

In 1998 speelde ze bij De Appel, in de regie van haar ex-echtgenoot Aus Greidanus, Ilse Ritter in Ritter, Dene, Voss van Bernhard. Over haar carrière zei ze toen in deze krant: „Het is vanzelf gegaan. En eigenlijk te snel. Ik maakte de fout de ene rol uit de voorgaande te halen, in plaats van uit het leven. Als je zoveel hebt gespeeld als ik, lijkt het of je aldoor in hetzelfde toneelstuk staat, alleen telkens met andere woorden. Steeds weer moet de inspiratie uit het leven gehaald worden. Het leven heeft me ook geleerd uit die echtheid van persoonlijke ervaringen te putten. Ik ben er niet zonder kleerscheuren doorgekomen”.

Een van haar laatste rollen was die van een naamloze vrouw in Ben ik al geboren? (2008) van Gerardjan Rijnders, ook bij De Appel. Hierin zweeft Bulthuis tussen leven en dood. De „butsen en kleerscheuren” die haar, naar eigen zeggen, in het leven zijn overkomen keren terug. Ze deed mee aan de beide marathonvoorstellingen van De Appel. Zij opende als voedster Tantalus (2003): baby na baby bakerde ze in. Het leken onschuldige borelingen, maar Bulthuis maakte duidelijk dat het de toekomstige, bloeddorstige helden zouden zijn in een altijddurende tragedie. Met de afscheidsscène in Odysseus (2007) schreef ze theatergeschiedenis. Als de nimf Kalypso moet ze vaarwel zeggen tegen haar vertrekkende held, Odysseus. Zeven jaar waren ze verliefd, leefden ze samen. Sacha Bulthuis speelde haar woede, verbazing en teleurstelling tragisch én groots. Niet sentimenteel. Ze vroeg „nog een jaar” bij Odysseus. Die tijd kreeg ze niet.

Bekijk Sacha Bulthuis op Oerol 2009: nrc.nl/kunst