TIJDSCHRIFT

Rich Cohen besloot een verhaal over de geschiedenis van de auto in de VS te schrijven omdat hij in de autoverkopers van het land ‘de priesters van de Amerikaanse droom ziet.’ Schrijven over dat onderwerp is schrijven over Henry Ford, die begin 20ste eeuw investeerders voor zijn jonge bedrijf probeerde te winnen door met een door hemzelf ontworpen auto aan een race mee te doen. Ford was voorafgaand aan de wedstrijd weliswaar vol vertrouwen over de uitslag, maar durfde het vehikel niet zelf te besturen. Daar benaderde hij volgens Cohen ene Barney Oldfield voor, een soort stuntman avant la lettre, die met het voorstel instemde door te zeggen dat ‘this thing may kill me but the records will show I was going like hell when it did’. Cohens verhaal zit vol met dit soort anekdotische vondsten, en het is dan ook terecht dat het het openingsartikel van deze The Believer (2009-8) is geworden.

The Believer komt uit de koker van onder anderen schrijver Dave Eggers, maar valt geen letterkundig tijdschrift te noemen. Het vertelplezier staat voorop, en via dat criterium kan er net zo goed over de auto-industrie worden geschreven als over muzikant Nick Cave, een ingekorte versie van Moby-Dick die Orion Books twee jaar geleden op de markt bracht of over Vera Gordon Childe, die volgens het blad ‘na Indiana Jones de bekendste archeoloog van de wereld is’. In een poging de leesdynamiek van The Believer te vergroten zijn interviews in delen opgehakt en als strooigoed over het blad verspreid. Dat is een minder geslaagde greep, omdat het de zaplust van de lezer overschat.

Maar desondanks is The Believer voer in cynische tijden. De lol van het blaadjemaken spat er van af en daar kan zelfs een ‘spread’ met verzamelde, zeer flauwe grappen niet veel aan veranderen.