Rotverbindingen

De Amsterdamse stadsschouwburg, na afloop van La voix humaine, een monoloog van Jean Cocteau door Halina Reijn. Een vrouw, in de vijftig, begroette bij de uitgang van de zaal lachend een leeftijdgenoot en zei: „Wees blij dat jij je man nog hebt.”

Mijn vrouw hoorde het niet, wat jammer was, want zelf kun je die dingen zo moeilijk zeggen. Er was inderdaad alle reden voor, want we hadden Halina een uur lang tevergeefs zien vechten om het behoud van haar minnaar die „er vandoor was met een ander”. Halina gaf zich helemaal, ze smeekte, ze raasde, ze ijlde en ze zei wel hondermaal ‘liefje’, maar het hielp niet meer.

Hij was weg en hij bleef weg. Waarom?

Dat kregen we van hem niet te horen, want een monoloog is een monoloog. Uit de tekst van Halina werden we ook niet veel wijzer, wat voor mij een bezwaar was. Halina speelde de verlaten vrouw schitterend, maar Cocteau – of had regisseur en bewerker Ivo van Hove veel geschrapt? – liet haar wel erg veel van hetzelfde zeggen.

Tevoren had ik, om in de stemming te komen, wat teksten van de Amerikaanse schrijfster Dorothy Parker gelezen. Misschien had ik dat niet moeten doen, want die verhalen zijn in hun soort moeilijk te overtreffen. (Bij De Slegte is nog een Nederlandse bloemlezing verkrijgbaar.)

Dankzij de uitbundige voorpubliciteit wist ik waar La voix humaine over ging. Ik herinnerde me dat Parker ook veel over het thema van de afgewezen vrouw had geschreven. Ze deed dat in dezelfde periode – jaren twintig van de vorige eeuw – waarin Cocteau La voix humaine schreef.

Dorothy Parker was ervaringsdeskundige, al draaide zij soms de rollen om en ging ze er zelf vandoor.

Een vriend noemde haar „een masochist met een grenzeloze passie voor ongelukkig-zijn”. Mannen die dol op haar waren liet ze barsten, mannen die haar vernederden konden op haar onderdanige liefde rekenen.

Hoe dan ook, ze wist waar ze over schreef, misschien nog wel meer dan Cocteau die als biseksueel overigens een minstens zo wispelturig liefdesleven leidde.

Ook wat betreft de setting doen de wrangste liefdesverhalen van Parker sterk aan La voix humaine denken.

Bij Cocteau telefoneert de verlaten vrouw een uur lang wanhopig met haar vertrokken vriend. In het verhaal, jawel, A Telephone Call van Parker wacht de vrouw tevergeefs op zo’n telefoontje.

Het begint zo: „Alstublieft God, laat hem nu opbellen. Lieve God, laat hem mij nu opbellen. Iets anders zal ik U niet meer vragen, echt niet.”

De schoft belt natuurlijk niet, ook al had hij het beloofd: „Ik bel je om vijf uur op, schat. Dag schat.”

Parker vervolgt: „Hij was bezig en hij had haast en hij had mensen bij zich, maar hij zei twee keer ‘schat’ tegen me. Dat is van mij, dat is van mij, dat heb ik toch, ook al zie ik hem nooit meer.”

In het verhaal New York to Detroit (‘Spreekt u maar’ in de vertaling) krijgt een vrouw, net als Halina Reijn, haar weggelopen vriend wel aan de lijn.

Hij doet alsof hij haar slecht verstaat. „Dit is wel de ergste rotverbinding die ik ooit heb meegemaakt”, zei hij. „Wat is verdrietig? Wat is er aan de hand?”

De ‘rotverbindingen’ duren bij Parker maar kort, enkele bladzijden. Misschien zijn ze ook daarom aangrijpender dan La voix humaine.