Pimpampetten in een leeg Amsterdams pand

Terwijl honderden krakers gisteren in Den Haag voor onrust zorgden, leiden drie „nette” Amsterdamse krakers een rustig leven. „Bij elk piepje schrokken we.”

Even leek het of de voorstanders van het kraakverbod een belangrijk argument uit handen was geslagen. De honderden krakers die gisteren hun koepeltentjes op het Haagse Plein hadden gezet, dansten in de zon, deelden soep uit en speelden pingpong. De piercings en hanekammen detoneerden met de nette pakken van de borrelaars aan de kant. Maar van de zogenaamde verharding van de kraakwereld, waarmee de indieners van de antikraakwet schermden, was aanvankelijk niets te zien.

Tot een groepje krakers de toegang wordt geweigerd tot de stemming in Tweede Kamer. Politieagenten dringen de groep terug. Er vallen klappen over en weer, krakers gooien met zand en scanderen „de-mo-cratie” en dan gaat de deur dicht. „Niet zo gek dat ze ons niet toelaten”, zegt een meisje, „met die tassen vol bier”.

Enkele minuten later is het pleit beslecht. Een Kamermeerderheid stemt voor de wet die kraken strafbaar stelt. In de Kamer en op het Plein stijgt afkeurend gejoel op. Krakers vinden het verbod een gotspe, zolang de woningnood hoog is, en de leegstand groot. „In een kraakverbod kun je niet wonen”, klinkt het. En: „Kraken gaat door”. Tegelijk worden de eerste tentjes al weer opgevouwen. Een enkele kraker praat over emigreren. „Dit is mijn land niet meer. Elke relativering, elk gevoel van losheid is weg”. Een grote groep druipt af.

Dan gaat het opnieuw mis. Bij het Binnenhof komt het tot een confrontatie tussen ME en demonstranten. Nadat de burgemeester vergeefs heeft opgeroepen het protest te staken, vliegen de flessen door de lucht. Tegen elf uur ’s avonds moet de ME met knuppels de laatste kluwen krakers van het Plein vegen. De politie verricht zo’n honderd arrestaties.

Zo haalde krakersgeweld wederom de journaals. En dat is precies waar Boris van Hoytema bang voor was. „Krakers hebben al zo’n slechte naam.” Maar net zo min als dertig jaar geleden bestaat de kraakscène alleen uit relschoppers. Er zijn kunstkrakers, principekrakers, geraniumkrakers, gelegenheidskrakers.

Van Hoytema rekent zichzelf tot de laatste categorie. De 21-jarige fotografiestudent legde afgelopen zondag met drie vrienden zijn luchtbedje neer in een oude machinefabriek aan de Amsterdamse Lauriergracht. De kraak werd zorgvuldig georkestreerd door het Studentenkraakspreekuur dat vorig weekeinde in Amsterdam een ‘kraakgolf’ organiseerde als protest tegen het kraakverbod.

Zij kraakten zelf niet uit protest, maar uit nood, zegt Van Hoytema. De vier schoolvrienden zijn inmiddels tweedejaars student. Op hun ouders zijn ze uitgekeken, voor sociale woningbouw komen ze voorlopig niet in aanmerking, de antikraakwachtlijst is ze te lang en in de vrije sector kost een enkele kamer al snel 400 euro. „Daar kun je dan net een bed neerzetten”, zegt Van Hoytema, „maar heb je niet eens een wasbak”. Nu kan hij voetballen in de hal.

Kraken gaat al decennia zo: je lokaliseert een geschikt pand en zoekt uit of het gebouw langer dan een jaar leegstaat. Je laat ‘vrijwilligers’ – slotenmakers met kraaksympathieën – langskomen, tilt matras, tafel en stoel (het zogenoemde krakerssetje om aan te tonen dat de intentie is het pand te gaan bewonen) naar binnen, belt de politie en vraagt om ‘huisvrede’.

De eerste nacht zaten de nieuwe bewoners van de Lauriergracht nog angstvallig naar de deur te staren. Liú Mottes (20): „Bij elk piepje schrokken we.” Bang voor een knokploeg van de eigenaar, of boze buren. Inmiddels overheerst het zelfvertrouwen en speelt het groepje ’s avonds pimpampet.

In het beeld van verharding van de kraakwereld herkennen ze zich niet. Sterker, ze kennen helemaal geen krakers van het prototype hanekam en hond. Van Hoytema: „Dat is niet ons soort mensen. Wij vinden actie voeren wel leuk, maar het is niet politiek, niet links of rechts.” De krakers die in Den Haag in gevecht raakten met de politie, vinden zij niet representatief voor de kraakbeweging. In Amsterdam zou het merendeel bestaan uit „nette mensen”.

Het viertal wil snel een „gezellige zithoek” bouwen, met televisie. De eigenaar mag ze dankbaar zijn, vinden ze. Ze knappen het pand, dat al twee jaar leegstaat, tenminste op. Mensen denken dat krakers een soort zwervers zijn, zegt Mottes. „Maar niemand wil toch in een stofnest wonen?” De emmertjes sop staan al klaar.

Echt investeren in het pand, doen ze alleen niet. Als het kraakverbod van kracht wordt, pakken ze direct hun biezen. „We begrijpen dat eigenrichting niet past in een democratische rechtstaat”, zegt Van Hoytema plechtig. Maar hij heeft goede hoop dat de wet niet door de Eerste Kamer komt. Anders zullen gemeenten kraken wel gedogen, zegt hij.

Jo van der Spek, kraker van het eerste uur, moet lachen als hem wordt gevraagd of de kraakwereld de laatste dertig jaar is verhard. „Vroeger gingen we met geweren over straat, verraders werden met een knieschot bedreigd, we maakten bommen. Daarbij vergeleken is dit kinderspel.” Maar de leuze ‘kraken gaat door’ bleef al die jaren overeind, zegt Van der Spek. „Een grote misvatting”.