Moet u nou eens kijken, het is gecrepeerd

Franz Kafka: De gedaanteverwisseling en andere verhalen. Vertaald door Willem van Toorn. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 364 blz. € 32,50

In het najaar van 1989 – ik heb het even opgezocht – bood boekenclub ECI haar nieuwe leden drie boeken voor tien gulden. Een mens, en zeker een 18-jarige, kiest dan in elk geval het dikste en het beroemdste: het Verzameld Werk van Franz Kafka. En leest daarin eerst het kortste en beroemdste verhaal: De gedaanteverwisseling. En weet zeker: dit is onvergetelijk.

Ja en nee. Want hoe vaak die ochtend waarop Gregor Samsa uit onrustige dromen ontwaakte (en ontdekte dat hij in zijn bed in een reusachtig ondier was veranderd) en hoe meer je over een oeuvre en een auteur te weten komt, hoe kleiner het boek wordt. Tot er van die hele Gedaanteverwisseling in je geheugen niet veel meer over is dan een bundeltje thema’s (onmacht, uitsluiting, surrealisme), een gevoel van grote beklemming en één helder beeld: de appel die in de rug van Gregor Samsa is gegooid en die daar tot het einde blijft rotten. Waarmee het verhaal hetzelfde lot beschoren was als Gregor Samsa: die verdroogt steeds verder in zijn kamer tot de ochtend waarop de werkster in triomf kan uitroepen: ‘Moet u nou eens kijken, het is gecrepeerd; daar ligt het, finaal gecrepeerd!’ Dat citaat komt uit De gedaanteverwisseling en andere verhalen, in een nieuwe vertaling van Willem van Toorn. En, ja, na twintig jaar is De gedaanteverwisseling nog steeds overrompelend, maar vooral verbijsterend anders. Van het alles overheersende gevoel van beklemming is amper iets overgebleven, het boek blijkt op lichte, soms bijna vrolijke toon geschreven. Zoals Gregor Samsa zich voelt als hij ondersteboven aan het plafond van zijn kamer hangt: ‘dat was heel anders dan op de vloer liggen; je ademde vrijer; een licht schommelen ging door je lijf’.

De ene na de andere scène blijkt buitengewoon grappig: Gregors vastberadenheid om ondanks zijn metamorfose toch de trein te nemen en zijn vertegenwoordigerswerk te hervatten, de wijze waarop hij zijn kamerdeur openmaakt en naar buiten tuimelt, de slapstick die volgt als zijn moeder voor hem terugdeinst – je begrijpt de anekdote dat Kafka soms hardop lachte als hij zijn werk aan anderen voorlas.

Veel méér ook blijkt het boek over de familie van Gregor te gaan. Die probeert uit volle macht te leven met ‘die grote mestkever’. Daarbij worden momenten van haat en weerzin afgewisseld met empathische daden als het openzetten van Gregors kamerdeur zodat hij de gezinsavonden vanuit zijn eigen vertrek kan volgen – een maatregel die overigens Gregors einde inluidt.

Niet dat de ernst van het geschrevene zo wordt ondermijnd; het is juist de bijna terloopse toon waarop het verhaal wordt verteld, de ironische nadruk op de naïviteit van de personages die maakt dat je weerloos tegenover het boek komt te staan. De nu door Van Toorn vertaalde bundel omvat alles wat Kafka bij leven heeft gepubliceerd: behalve het titelverhaal en In de strafkolonie, onder meer Het vonnis, De stoker, Een plattelandsdokter en Een hongerkunstenaar. Van Toorn werkt aan een vertaling van het volledige werk en dat is iets om je op te verheugen. De gedaanteverwisseling en andere verhalen is geschreven in een taal die zo vanzelfsprekend lijkt dat je de oude vertaling erbij moet pakken om te zien of dat het ooit anders – en minder – is geweest.

Lees bijvoorbeeld De stoker – het in 1916 los verschenen geweldige eerste hoofdstuk van de postume roman Amerika – waarin de jonge Amerikaganger Karl Rossmann tobt over een mogelijk verloren koffer en zich met hart en ziel overgeeft aan de klagende reus in de machinekamer van de boot. Het maakt hem tot het middelpunt van een ruzie aan boord, wat een prachtig beeld oplevert: ‘En Karl schoof zijn vingers heen en weer tussen de vingers van de stoker, die met stralende ogen om zich heen keek, alsof hij een gelukzaligheid ervoer waarvan hij hoopte dat niemand hem die kwalijk zou nemen.’ Onvergetelijk – als je dat zou durven zeggen.