Leren van de oude mores

Stel: een Romein of Griek wordt wakker in onze wereld. Hij zou zich verbazen over burgers die slaven zijn van de commercie en van politici op afstand.

Een groep 20ste-eeuwse Romeinse legionairs marcheert over het asfalt van modern Rome Foto Reuters / Chris Helgren Members of the Gruppo Storico Romano (Roman Historical Group) dressed as centurions march past the ancient Colosseum to mark the 2762nd anniversary of the founding of Rome April 19, 2009. According to legend, twins Romulus and Remus founded Rome on April 21 in 753 B.C. REUTERS/Chris Helgren (ITALY TRAVEL ANNIVERSARY SOCIETY) soldaten REUTERS

Peter Jones:Vote for Caesar. How the Ancient Greeks and Romans Solved the Problems of Today Orion Books, 264 blz. € 16

T.P. Wiseman: Remembering the Roman People.; Essays on Late-Republican Politics and Literature. Oxford University Press, 271 blz. € 105,-

Middeleeuwse historici vertelden graag de legende van de zeven slapers van Ephesus. Deze deugdzame christenen vielen rond het midden van de derde eeuw tijdens intens gebed in een slaap die zo’n tweehonderd jaar duurde. Toen de grot na al die tijd werd geopend, ontwaakten ze in een veranderde wereld. In plaats van christenen aan kruisen, hingen nu overal kruisen als ereteken, in plaats van tempels stonden er kerken, in plaats van triomferende heidenen, was het christendom staatsreligie.

De transformatie die de Zeven Slapers proefondervindelijk konden waarnemen heeft al heel wat cultuurcritici aan het denken gezet. Ook de Britse classicus Peter Jones, die zijn leven aan een energieke verbreiding van het evangelie van de antieke cultuur heeft besteed, besluit zijn vermakelijke Vote for Caesar met een dergelijk gedachte-experiment: stel dat niet brave christenen, maar een echte, heidense Griek en Romein zouden ontwaken in het moderne Westen. Overal vuurspuwende rij- en vliegdingen, overvloed op ieder supermarktschap, mobiele telefonie en vooral overal schermen met bewegende beelden. Tot hun verbijstering zien ze echter te midden van al dit comfort sociale onrust, onwetendheid, misdaad, politiek onvermogen en desintegratie van zo’n beetje alle maatschappelijke verbanden.

Wat waren de Griek en Romein dan gewend? Geen kantoren, geen betaalde overheidsfunctionarissen, geen bureaucratie, directe democratie (in Griekenland), vrijwillige maatschappelijke sponsoring door de elite, af en toe een relletje, maar religieuze tolerantie voor wie de staatsgoden althans in naam eerde, raciale tolerantie, een gezonde hekel aan je vijanden, een cultus van schoonheid, gedegen kennis van de wetten van het overtuigingsproces (retorica), plus een bloeiende literatuur en kunstensector. Dit alles bleek een succesformule die zonder noemenswaardige wijzigingen zo’n duizend jaar bleef functioneren.

Het zal de lezer op grond van deze grove samenvatting duidelijk zijn dat Jones een voorkeur heeft voor de antieke wereld boven de onze. Daarbij is opvallend hoezeer zijn strategie contrasteert met die van anderen die de oudheid met het heden vergelijken. Een halve eeuw geleden veroorzaakte de Britse hoogleraar Dodds een revolutie door er op te wijzen dat de Grieken helemaal niet rationeel en ‘klassiek’ waren, zoals veel van hun moderne bewonderaars dachten. Integendeel, ze leefden voor een belangrijk deel in een primitieve cultuur, waarin de meest barbaarse rituelen (zoals het rauw verscheuren van levend klein wild) geen uitzondering waren.

In feite zijn de diverse ‘tijdreizen’ naar de Oudheid die sindsdien in en buiten de wetenschap zijn ondernomen, erop gericht geweest te laten zien hoe ‘anders’ de antieke cultuur was. In de serie Rome van het Amerikaanse betaalkanaal HBO zag de eeuwige stad er uit als modern Calcutta – de derde wereld dus. Ook wetenschapper Keith Hopkins benadrukte in A World Full of Gods (1999) al de exotische kanten van Pompeii. En een recent boek als dat van Mary Beard, Pompeï, het dagelijks leven in een Romeinse stad, treedt in Hopkins’ voetsporen, door onophoudelijk te wijzen op poep, pies, seks en het ‘gewone’ leven (en de rampendood) van ‘gewone’ mensen.

Beard wil laten zien hoe ordinair de stad was en vooral: hoe niemand dat vóór professor Beard zelf wenste te zien, omdat het de ‘klassieke’ Oudheid betrof. De ‘onklassieke’ ordinariteit van Pompeii is op zichzelf de moeite van het onderstrepen waard, maar door de zelfgenoegzame toon en de politieke correctheid van de auteur wordt de lectuur van haar boek toch wat ergerlijk. Aandacht voor de ontwikkeling van de Pompeïaanse wandschilderkunst vindt ze uit de tijd, zo meldde ze een paar weken geleden in deze krant. Dat is helaas heel wat ongenuanceerder dan veel van haar geleerde voorgangers op het gebied van Pompeii te werk gingen.

Nu zijn poep, pies, seks en ordinairheid natuurlijk niet zo heel ‘anders’ in vergelijking met het heden. Integendeel, en dat is nu juist het probleem. Het ‘anders’ van moderne geleerden betekende de laatste decennia namelijk vooral dat de oudheid werd voorgesteld als ‘anders’ dan de idealiserende versie van een voorgaande generatie ‘nette’ geleerden. De oudheid ging zo, om met Jones te spreken, steeds meer lijken op ons moderne en ongegeneerde heden – op onszelf.

En dus doet Jones het op zijn beurt weer anders: hij gaat enerzijds terug naar af en onderstreept weer de rationele en (in zijn ogen) bewonderenswaardige elementen uit de oudheid. Anderzijds doet hij dat door als het ware de antieke cultuur naar ons toe te laten reizen in plaats van omgekeerd – en de oudheid tolt daarbij van verbijstering om zo veel waanzin. Zijn boek behandelt per hoofdstuk moderne problemen als die van de grote steden, sociale wetgeving, politieke participatie en democratie, misdaad, straf en onderwijs, belasting, religie, gezondheidszorg en ethiek. Onderwijs bijvoorbeeld, is bij ons een dienst geworden, waarvan de onderwijsnemende als klant mag genieten. Jones laat Plato hiernaar kijken en constateren dat onderwijs actieve participatie van de leerling vereist: zo niet, dan is het resultaat slechts een oppervlakkig vernis van kennis, zoals de tint die mensen opdoen van blootstelling aan de zon. Jones bewondert dit beeld en werkt het uit: shoals of obese students at Sun Tan U[niversity], lying in a lecture hall like beached seals to roll over now and again until lightly educated on both sides.

Ook elders slaat de balans door in het voordeel van de Ouden. Als een Karel van het Reve meet hij zich daarbij voortdurend het air aan dat het eigenlijk zo simpel is, allemaal, en bovendien al lang doorzien door de ouden. Maar het moet gezegd, de provocaties van Jones zijn door hun toegankelijke formulering vaak messcherp, geestig en vooral stimulerend, omdat hij de oudheid gebrúikt, en wel als aanvalsbasis voor cultuurkritiek.

Op Jones’ provocaties is in detail vaak wat aan te merken. Maar niemand kan ontkennen dat zijn hoofdstelling rijp is voor onbevooroordeelde discussie. Die stelling is dat nu ontwakende zevenslapers zich er over zouden verbazen hoezeer de moderne burger slaaf is geworden van markt, commercie en vooral van een ‘elective oligarchy’, die ‘ons’ geld besteedt aan dingen waar we niet om vragen zonder dat we iets anders terug kunnen doen dan af en toe naar de stembus gaan. Mijn antwoord zou zijn dat dit het gevolg is van de ontwikkeling van concepten van vrijheid, gelijke rechten en billijkheid die in diezelfde oudheid zijn ontstaan. Als Jones helemaal eerlijk zou zijn geweest, zou hij openlijk gezegd hebben dat zijn werkelijke tegenstander het weekhartige christendom is, die de stoere harde ratio van zijn oudheid langzaam maar zeker heeft doen omslaan in een onwerkbaar gelijkheidsmodel.

In zijn afkeer van moderne beroepspolitici laat Jones zich echter verleiden tot met name een wel heel zonnig beeld van de Atheense democratie, die door tijdgenoten als Thucydides en Plato, auteurs die Jones herhaaldelijk met grote instemming citeert, werd afgedaan als mob-rule. Hét grote verschil tussen de antieke en de moderne democratie is het concept van de representatie, zowel in de politiek als in het recht. Wij klagen niet zelf aan, maar laten openbare aanklagers dat doen. Wij beslissen niet zelf over politieke kwesties, maar laten gedelegeerde kamerleden dat doen. Jones haalt met smaak een (in)fameuze episode uit Thucydides aan, waarin de volksvergadering (die bestond uit de voltallige mannelijke bevolking van onder de achttien), onder leiding van een agressieve en ordinaire politicus, besloot om alle mannelijke inwoners van het eiland Mytilene, dat als vazalstaat van het Atheens imperium in opstand was gekomen, te laten executeren. ’s Avonds laat, zo vertelt Thucydides, kregen de Atheners toch spijt, vooral omdat ze inzagen dat het niet in hun eigen belang was zo rigoureus te zijn. Een speciale ‘ijl-trireme’ [zie pagina 6 van deze bijlage] werd uitgerust om de al uitgezonden executiecommando’s te onderscheppen en een zachtere straf te voltrekken – hetgeen ternauwernood lukte. Voor Jones is dit glas halfvol: zie toch hoe wijs die Atheners waren! Maar voor menigeen is het natuurlijk half-leeg: zó dicht kon die prachtige democratie afglijden naar een handelwijze die zowel barbaars als dom was.

Gebrek aan politieke participatie is vandaag de dag hét grote probleem, en het is Jones’ verdienste dat hij dit door zijn presentatie glashelder over het voetlicht te krijgt. Maar het Atheense voorbeeld is daarbij alles behalve probleemloos. Sterker nog: de checks and balances van ons eigen systeem zijn voor een aanzienlijk deel ingegeven door de kritiek die in de oudheid zelf al aan het adres van de radicale directe democratie geuit werd. De literaire canon die ons uit de oudheid is overgeleverd is overwegend anti-democratisch en conservatief. Het ironische en ook wel lovenswaardige daarbij is dat Jones zich op die canon baseert, maar een tegenovergestelde conclusie bereikt: hij leest de teksten, als het hem uitkomt, zoals bij de lof op de directe democratie, ‘tegendraads’.

Een prachtig voorbeeld van wat die strategie in handen van een werkelijk groot wetenschapper kan opleveren is het laatste boek van de vermaarde oud-historicus T.P. Wiseman. Wiseman constateert wat iedere classicus weet, maar haast niemand volledig tot zich door laat dringen. En dat is, dat ons beeld van de laatste dagen van de Romeinse Republiek door en door gevormd is door de filosoof, redenaar en would-be staatsman Cicero.

Ook Cicero was (aarts-)conservatief. Ook Cicero heeft, door zijn intellectuele verdiensten en door een aantal spelingen van het lot der cultuurgeschiedenis, de canon bepaald. Maar in zijn eigen tijd waren Cicero’s standpunten geenszins onomstreden. Alleen heeft de retorische vanzelfsprekendheid waarmee hij die standpunten voor ons nu nog leesbaar verwoordt, literair zo’n succes gehad dat de tegenstemmen verloren zijn gegaan in de overlevering.

Wisemans fenomenale kennis van de periode en zijn vermogens om onvermoede informatie te halen uit alle hoeken en gaten van teksten die we dachten te kennen , zorgen er voor dat hij in Remembering the Roman People een grotendeels overtuigend beeld weet te schetsen van vooral die politici in de late Republiek aan wie het Romeinse volk daadwerkelijk ter harte ging. Sinds het midden van de 20ste eeuw gingen oud-historici er van uit dat ‘ideologische’ politiek in Rome niet bestond: het zou eigenlijk alleen om aristocratische coalities zijn gegaan, waarbij volksvergaderingen of – vertegenwoordiging een wassen neus waren. Wiseman brengt zo op virtuoze wijze een ‘democratische’ traditie in de republiek weer in zicht, uitmondend in een bloedstollende reconstructie, haast van minuut tot minuut, van de moord op Caesar, die in Wisemans ogen zo’n op het volk gerichte politicus was. Daarmee wordt het gezicht van Rome pas echt menselijker, en zien we, met angst en beven, wat er op het spel stond in de revolutionaire dagen die zowel Caesar als Cicero de kop kostten.

Beide boeken, van Jones én van Wiseman, laten zien hoe levend, en hoe belangrijk de oudheid nog voor ons is: Jones door, naast veel wetenswaardigs te vertellen, de handschoen van de teksten op te pakken en die in het gezicht van hedendaagse inadequate bestuurders te gooien. Wiseman door te laten zien dat teksten ook na tweeduizend jaar nog nieuwe en spannende dingen kunnen zeggen, die, hoewel veel ingetogener gebracht dan bij Jones, niettemin een uitdaging vormen tot moreel engagement.

Lees via nrcboeken.nl een interview met Mary Beard, schrijfster van ‘Pompeï, het dagelijks leven in een Romeinse stad’ (vert. Boukje Verheij. Athenaeum–Polak &Van Gennep, 746 blz. €29,95).

Rectificatie / Gerectificeerd

Aanvulling Vote for Caesar

Redactie Boeken

In de boekenbijlage van 16 oktober werd Vote for Caesar van Peter Jones besproken. Dit boek zal 26/10 bij uitgeverij Prometheus verschijnen onder de titel Stemmen op Caesar.