Joodse liefde en lompen

Herman Heijermans, zelf jood, wilde het jodendom afschaffen. Met een toneelstuk dat nog steeds ongemakkelijk stemt.

‘Als Herman Heijermans vanaf een wolkje op jullie zou kunnen neerzien, dan zou hij verbaasd zijn. Verbaasd dat er in de 21ste eeuw nog altijd Joden samenklitten. Hij zou u als personen wel waarderen, maar hij zou het ook zónde vinden. Hij hoopte dat het Jodendom nu wel verdwenen zou zijn.”

Met deze brisante openingszin begon biograaf Hans Goedkoop onlangs een cursus bij het Joods educatiecentrum Crescas over het toneelstuk Ghetto. De cursisten zaten meteen rechtop. Het stuk, dat gisteravond in de Amsterdamse schouwburg bij Het Toneel Speelt in première ging, draagt een ongemakkelijke boodschap. De Rotterdamse schrijver Herman Heijermans (1864-1924), beroemd van Op Hoop van Zegen, was van liberaal-joodsen huize, maar had zich van het Jodendom afgewend en was tot het socialisme bekeerd. Net als de hoofdpersoon Rafaël in Ghetto wilde hij geen Jood meer zijn. Net als Heijermans beschouwt Rafaël het joods geloof als een geestelijk getto waarin geloof en geldzucht de mensen dom, bekrompen en arm houdt. Met zijn stuk wilde Heijermans de Joden bevrijden uit de gevangenis van de traditie. Heijermans zegt over een eerder alter ego, in de roman Diamantstad: „Hij was een heerlijk-gezonde antisemiet.”

Ghetto speelt zich af in de Amsterdamse Jodenhoek, in het huis van een blinde lompenbaas die op alles en iedereen loopt te kankeren; onmiskenbaar een aan lager wal geraakt neefje van Shakespeares Shylock. Zijn zoon wil geen Jood meer zijn, is socialist geworden, en wil weglopen met de ‘sjabbesmeid’, een christelijke dienstmaagd. Daar steekt zijn familie een stokje voor. Op twee manieren is de anti-religieuze boodschap nog altijd ongemakkelijk: sinds de Shoah is een oproep tot vernietiging van het joods geloof griezelig, ook al is deze ingegeven door atheïstische motieven. Totale assimilatie, het vergeten van je ‘roots’ zoals Rafaël dat bepleit, is de grootste bedreiging voor het huidige Nederlandse Jodendom. Traditie heeft zijn ongunstige bijklank verloren.

De tweede manier is interessanter: als je het woord ‘jood’ in het stuk vervangt door ‘moslim’, zou het over Slotermeer 2009 kunnen gaan. De smerige vernederingen door de christenen die Rafaël beschrijft, moeten moslims nu ook ondergaan. De moslim die met een blanke Nederlandse bruid thuiskomt zal ongeveer de keiharde behandeling krijgen die Rafaël en zijn sjikse krijgen. De moslim die openlijk zijn geloof afzweert, zoals Rafaël dat doet, is zijn leven niet meer zeker. Hans Goedkoop vergelijkt Rafaël met Ayaan Hirsi Ali: een voormalige moslim die zich tegen het geloof van haar vaderen keert. Ook een gedreven idealist die de menselijke maat een beetje kwijt is.

Heijermans kende de keerzijde en beperking van de assimilatie: zonder groep is het bevrijd individu op zichzelf teruggeworpen. En als het er op aankomt, word je toch altijd weer gezien als exponent van je oude groep. Toen hij in Amsterdam aankwam om het te maken, schreef een vriend aan schrijver Lodewijk van Deyssel: „De Heer Herman Heijermans Jr. is kortgeleden uit Rotterdam aangekomen en wordt aangezien voor een indringerig Joodje.”

Meteen toen Ghetto op Kerstavond 1889 uitkwam, opgevoerd door de Nederlandsche Tooneelvereeniging, was het een scandaleus succes. Het aantal opvoeringen steeg volgens het weekblad Propria Cures: „tot een cijfer dat te voren slechts door operettes en revues placht bereikt te worden”. Het werd zelfs gespeeld in Berlijn, Londen en Parijs. Het stuk was actueel omdat veel Joden destijds overliepen van hun rabbijn naar het socialisme; een nieuw en probaat middel tot emancipatie. De Amsterdamse opperrabbijn Dünner trachtte het tij te keren en pleitte voor de oprichting van aparte scholen voor joden, zoals de katholieken en protestanten dat hadden. In zijn biografie Geluk. Het leven van Herman Heijermans (1996) schrijft Goedkoop: „Als joden spanden ze samen met gojim en streden tegen joden, lapten Dünners rabbinaat aan hun laars en werden een keurkorps van de SDAP.” Deze socialistische voorloper van de PvdA kwam voort uit de joodse diamantwerkersbond.

Op deze voedingsbodem was Ghetto rijp voor een rel. De première liep ongekend rumoerig, met kreten van bijval en afkeuring uit afwisselend joodse en christelijke hoek. De jonge joden sympathiseerden met Rafaël, de oudere hekelden de harde wijze waarop deze tegen joden tekeer ging. De christenen in de zaal morden, nu ze in het stuk eens hoorden hoe vreselijk Joden over ze dachten. Uit angst voor rellen beval de politie dat één van de gewraakte zinnen verwijderd moest worden: „Ons héele volk is ontaard.” Om een verbod te voorkomen voldeed Heijermans daar aanvankelijk aan, om de zin later stilzwijgend weer terug te plaatsen. In de huidige uitvoering, 120 jaar en zes miljoen vermoorde Joden later, is de zin weer geschrapt.

Artistieke kritiek was er ook. Die ging vooral over de wijze waarop Heijermans zijn denkbeelden had verpakt in de figuur van Rafaël, volgens de Duitse kritiek een „Frazeheld”. Rafaël is een idealist die te pas en te onpas uitbarst in rode lyriek à la Gorter: „Een nieuwe tijd breekt aan. Als je goed luistert, hoor je ’t brede rumour van ’t opgaande volk, zie je banieren en vlammende ogen, voel je de lucht sidderen.”

Rafaël past niet alleen slecht in zijn omgeving, maar ook in het verder zo felrealistische toneelstuk. Je voelt te zeer dat Heijermans zijn drama, een joodse Romeo en Julia, gebruikt als vehikel voor zijn ideeën, die gedragen worden door de bloedeloze held. Hij bemint, hij wordt bemind, en de gojse meid draagt zijn kind, maar hij ziet zijn multicultihuwelijk vooral als showcase voor zijn baanbrekende toekomst. Als hij alles heeft verloren, en het opgedregde lijk van zijn vrouw koud aan zijn voeten ligt, roept hij nog: „O, ’k héb plichten, grote plichten, plichten opgelegd door de God die jullie niet kennen en de kristenen niet kennen – plichten, gróte plichten.” Biograaf Goedkoop noemt hem: „een held om in zijn ballen te schoppen.”

Toch werkt het wel in het drama, de jongen die niet past, die verblind door idealisme op de harten van zijn dierbaren gaat staan. En het heeft iets komisch: iedere keer als zijn vrouw hun liefde lichamelijk wil vieren, laat hij zich meevoeren door politieke hartstocht. Heijermans vond later zelf dat hij het te gortig had gemaakt, dus in 1905 volgde een nieuwe versie. Hij schrapte flink in Rafaëls extatische redevoeringen, hij voegde een zwangerschap toe, hij veranderde het treurige eind – waarin de joden de ‘kristin’ de gracht in pesten – in een happy end: De bruid verdrinkt zich niet, maar gaat er met Rafaël vandoor. Het Toneel Speelt herstelde gisteravond het oorspronkelijke, treurige einde.

Dat slot was bij de opvoering in Londen in 1899 ook al een probleem. Tot een half uur voor de première ruziede het Britse toneelgezelschap over de verdrinkingsdood. Uiteindelijk werd besloten om de bruid zich te laten verdrinken. Maar de aanwezige Prince of Wales vond dat „rather dull” dus werd op de tweede avond het einde veranderd: de bruid bedacht zich. Hilariteit bij het publiek. Op de derde avond verdronk zij toch weer.

‘Ghetto’ door Het Toneel Speelt. Tournee t/m 19 dec. Inl: www.hettoneelspeelt.nl. Hans Goedkoop, Geluk: Het leven van Herman Heijermans, verschijnt 10 november als Olympus Pocket.