In roerige tijden moet je de maan fotograferen

De Albert Verwey-lezing heeft dit jaar een ongebruikelijke vorm. Het is geen essay in de klassieke zin van het woord, maar een kort verhaal, waarin een vraag wordt gethematiseerd die in het literaire debat met enige regelmaat terugkeert: heeft een schrijver de verantwoordelijkheid om in literatuur maatschappelijke kwesties aan de orde te stellen? Marlene van Niekerk, auteur van geëngageerde romans als Triomf en Agaat, koos voor fictie om zo de ontwikkeling van haar eigen visie op de functie van kunst in het algemeen en haar eigen literaire werk in het bijzonder te kunnen becommentariëren.

Over de verantwoordelijkheid van de verbeelding en de grenzen van de kunst in roerige tijden zou ik een boek vol kunnen schrijven. Veel liever vertel ik u wat er gebeurd is met mij en de fotograaf Peter Schreuder.

Ik heb Schreuder in het begin van de jaren zeventig leren kennen op de universiteit in Stellenbosch, een mislukte student in de economie, die jarenlang in het dorp bleef hangen. Dat hij niet afstudeerde, was niet zijn grootste makke, wel dat hij, wegens aanvallen van petit mal, vrijgesteld was van dienstplicht.

Schreuder leefde van fotograferen bij huwelijken, maar toen ik hem bezig zag, wist ik dat hij niet geloofde in bruiden. Ik volgde hem heimelijk als hij op stap ging met zijn camera en was niet tevreden voordat ik hem in actie zag komen in wat ik noemde de ‘Schreudermodus’. Dan was zijn motoriek soepel, een zwenkend richten en schieten.

Ik maakte altijd een praatje met Schreuder als ik hem tegenkwam. Het werd nooit een vlot gesprek: Schreuder stotterde. Als hij iets wilde zeggen moest hij eerst diep ademhalen om er dan een paar snelle zinnen uit te brengen. Twee dagen na zo’n ontmoeting stuurde hij me meestal een geschenk: een obscuur boekje over begrafenisviolisten of uitzonderlijk dierengedrag. Soms was er een bosje violieren bij, altijd een kaartje: ‘Beste mejuffrouw Van Niekerk, dank voor het gesprek.’ En dan een paar regels van Rilke of Emily Dickinson.

Op een dag ben ik hem gaan opzoeken in de Miniseriestraat, waar hij logeerde. Toen ik bij het laatste huis in de straat een zweem van violieren rook, klopte ik aan bij een zijdeur. Het duurde een tijdje voor er werd opengedaan. En daar stond Schreuder met zijn verwarde haar en diepliggende ogen, gekleed in een kamerjas, de mouwen opgestroopt over zijn blauwbeaderde armen.

‘Ik vroeg me af of ik kon komen kijken hoe je foto’s ontwikkelt,’ zei ik, en toen hij naar me bleef knipperen in het tegenlicht voegde ik eraan toe, ‘dat lijkt me een magische techniek.’

‘Wat is begeerte zonder techniek?’ zei hij. ‘Kom b-bi-binnen.’

Ik bracht de middag door in een linnenkast op poten, ingericht als donkere kamer. Naast mij tilde Schreuder met een tang vellen fotopapier uit de bakken met ontwikkelaar en hing ze aan waslijnen boven onze hoofden: een fragment van een veldlelie, een knie in een korte broek, een steen in een rivier. Nietigheden – waarom stoorde me dat? Na een tijdje gaf hij me een teken dat ik iets voor hem kon vasthouden, een rimpel op een vijver, een voorhoofd boven een wastafel. In die vochtige ruimte, waar geen van ons beiden een woord uitte, maakte hij mij tot medeplichtige.

Toen we klaar waren, haalde ik een exemplaar van de studentenkrant waarvoor ik schreef en een fles St. Augustine uit mijn tas. Hij wierp een blik op de krant en maakte de fles open. We dronken de wijn uit waterglazen, tegenover elkaar in oude fauteuils.

‘Goed, leg uit,’ vroeg ik, mijn stem zo zakelijk mogelijk, ‘de techniek en de, eh, begeerte.’

Hij keek naar me, maar zonder mijn blik te ontmoeten, zijn ogen dolend, alsof hij een lasso over mijn hoofd wilde gooien. Hij sprak snel. Hij wilde met zijn foto’s de dingen gríjpen, niet zoals ze waren maar zoals ze wérden, door wind, door aanraking, door de wellust van de moleculen. Hij wilde ze vangen zonder ze te beschadigen, in boeien van licht en schaduw, nee, hij wilde deelachtig aan hen zijn, in één adem, één licht. Hij wilde de vinken bevrijden uit hun contouren. Hij wilde de normale perceptie van de dingen, de kíjker zelf, het óóg, zijn éigen oog, verlossen uit een staat van enantiomorfie.

‘Gezondheid,’ zei ik, ik vroeg me af of hij me wilde verleiden.

Hij had mijn krant op de grond gelegd en opengeslagen bij de foto’s van de opstanden in Soweto die ik had gebruikt bij mijn hoofdartikelen. ‘In roerige tijden moet je de m-m-máán fotograferen,’ zuchtte Schreuder.

‘Zo is het wel genoeg!’ Ik rechtte mijn rug en stak een preek af: ‘Word wakker, je bent in Zuid-Afrika! Hier gaat het niet om de bevrijding van vinken uit hun contouren, maar om de bevrijding van onderdrukten in uit een ondemocratisch bestel. Je beschikt over de vaardigheden om de wereld te mobiliseren voor de strijd en je vergooit jezelf aan lelies! Maak je werk dienstbaar aan iets wat groter is dan jezelf.’ En toen stak ik mijn hand uit en zei: ‘Bedankt dat je mij hebt geleerd hoe je moet ontwikkelen, ontwikkel nu alleen nog je maatschappelijke verantwoordelijkheid.’

Twee weken later kreeg ik een uitnodiging van Schreuder om met hem mee te gaan naar een concert. Duetten uit de cantates van Bach, uitgevoerd door Peter Schreuder senior, counter tenor, en Elizabeth Schreuder, sopraan. Zijn vader en zijn zuster. Ik was verbaasd over de toon van de uitnodiging, alsof er niets was gebeurd. ‘Ik hoop dat je mee kunt. Gegroet, de vinkenbevrijder.’ Ach, vink jezelf, dacht ik, met je blinde Bach en je zingende familie, de Von Trapps van de Heksrivier. Op de uitnodiging reageerde ik niet.

Ik zocht mijn heil aan de UvA, waar ik filosofie ging studeren. Schreuder was ik snel vergeten. Dagelijks, in het Nederland van de jaren tachtig, zag ik mijn ideeën over de verantwoordelijkheid van de kunstenaar bevestigd. Ik was vooral onder de indruk van de demonstratie van literatuurtheoretici, met ratels en pannendeksels, voor Athenaeum Boekhandel, op de dag dat V.S. Naipaul in Amsterdam kwam signeren. ‘Zo moeten intellectuelen uit hun ivoren toren afdalen,’ schreef ik naar huis.

Het was in deze studieperiode, in 1982, tijdens een bezoek aan Zuid-Afrika, dat ik de eerste overzichtstentoonstelling van Schreuder zag: Spiegel van Zuid-Afrika. De titel refereerde aan de propagandafilm die in de jaren zestig als voorprogramma in alle Zuid-Afrikaanse bioscopen draaide: pelotons militairen, nieuwe fabrieken en wegenconstructie. Schreuder hield de kijker een andere spiegel voor: partijleiders verstard in hun zucht tot heersen, blanke proletariërs tussen autowrakken, zwarte mannen naakt onder de meetlat van mijnartsen, blanke schooljongens verbroederd in angst en meerderwaardigheid.

De witte nationalisten bestempelden Schreuder als landverrader. Maar het African National Congress ontsloeg hem van de culturele boycot: hij was vrij om zijn werk in Europa te exposeren. Ik schreef een felicitatiebrief en bezorgde die bij de galerie. ‘Op zijn minst,’ schreef ik, ‘wist ik in mijn onnozele voortvarendheid jouw talent te mobiliseren voor een goede zaak.’

Nadat ik definitief naar Zuid-Afrika was teruggekeerd, stuurde ik hem mijn nieuwe adres in Onderpapegaaiberg en mijn telefoonnummer. Was het in die tijd dat ik toevallig in de krant las dat Schreuders ouders en zuster waren omgekomen bij een verkeersongeluk? Had ik mijn medeleven betuigd? Ik kan het me niet meer herinneren.

In de jaren negentig, tijdens de liberalisering van het land, documenteerde Schreuder de ontwikkeling van de informele economie in Zuid-Afrika in een tentoonstelling getiteld Mobile Contractors. Overal langs de snelwegen zag men advertenties van de nieuwe ondernemers. Simon Mhlobe, painter. Cut throat price. I do not mess, plus een VodaComnummer. Easyboy Manto private contractor for your dirty jobs. Een mobiel nummer in bordkrijt. Schreuders project bestond eruit die mobiele nummers te bellen en de kleine zakenlieden te fotograferen.

Van 1994 tot 2004, het decennium waarin Zuid-Afrika toetrad tot de wereldeconomie, had Schreuder veel succes, ook in Nederland. Ik vermoedde dat hij zich zoals veel Zuid-Afrikaanse kunstenaars in het buitenland zou vestigen: er waren genoeg problemen in de multiculturele samenlevingen van Europa om een tweede carrière als kritische fotograaf te starten. Maar op een avond in 2006 werd er op mijn voordeur geklopt en daar stond Schreuder, met een naar mij uitgestoken hand door de tralies van het veiligheidshek dat ik had laten plaatsen.

‘Ik heb een probleem,’ zei hij, wijzend naar een auto. ‘Mijn lijfwacht heeft iemand geraakt die mijn mobiel wilde stelen. Een afketsende kogel, vleeswond in de kuit. En ik ben gebeten. De dief zit in de jeep, hij bloedt, maar ik heb geen zin in ziekenhuizen en politie. Kunnen we een paar dagen bij jou blijven?’

‘Jullie kunnen de garage krijgen,’ zei ik.

Het ongeluk had plaatsgevonden toen Schreuder aan het fotograferen was voor zijn nieuwe project: portretten van voorwaardelijk vrijgekomen misdadigers, tussen hun eigen mensen, slachtoffers incluis. Schreuders afspraak met zijn telefoondief, Mandla, een 16-jarige jongen, was dat zijn wond verzorgd zou worden en dat hij dertig rand betaald zou krijgen om te poseren. Intieme close-ups wilde Schreuder maken van zijn berover.

Mandla protesteerde, Peter en zijn lijfwacht kregen ruzie, het garagedak begon te lekken door de winterstormen. So much for l’ art engagé, dacht ik.

Na twee weken had ik er genoeg van. De sleutels van de garage eiste ik terug. Dat was echter nog niet het einde van de catastrofe. De kranten waren vernietigend over Schreuders tentoonstelling, de portretten van Mandla zouden getuigen van racisme. Van zijn collega-fotograaf Jonathan Silberfuss kwam het hardste commentaar: ‘Shameless pictorial exploitation of the subaltern – Schreuder regresses to the cliché of the highway robber.’

Daags na de opening stond Schreuder weer op mijn veranda: iemand had de banden van zijn jeep kapot gesneden. Hij was zo van streek dat ik niet anders kon doen dan hem binnenvragen. Ik stopte hem met een kalmerend middel in bed en ging in mijn studeerkamer zitten om mijn opties te overwegen. Of beter gezegd: om zíjn opties te overwegen. Want op welk onderwerp zou Schreuder zich na dit schandaal met behoud van zijn professionele integriteit kunnen richten?

Het onderwerp dat ik zou voorstellen, moest zich zo ver mogelijk van mijn bed bevinden: Schreuders gezelschap kon ik niet lang verdragen. Ik zou hem de volgende ochtend op het vliegtuig naar het Mukuzi-vogelreservaat zetten, waar bedreigde soorten te zien waren. Ik reserveerde een lodge en betaalde een maand vooruit. Terwijl hij sliep, zocht ik op internet naar informatie over vogelgedrag en maakte een envelop met prints voor hem klaar, buitenissige informatie over wat ik dacht dat hem zou interesseren.

Op weg naar het vliegveld stak ik een preek tegen hem af, mijn tweede. ‘Je bent de belangrijkste fotograaf van jouw generatie,’ zei ik, ‘je hebt artistieke risico’s genomen, je hebt de hoogste sport bereikt in je werk. Maar het is tijd om het rustiger aan te doen. Er zijn te weinig fotografen van jouw kaliber die in de natuurfotografie werken. Neem de tijd, de narina trogon wacht op je, de troupant, de vorkstaart drongo. Misschien ben jij de laatste fotograaf die deze vogels zal zien. Split the lark,’ zei ik, zijn eigen favoriete citaat van Emily Dickinson: ‘Split the lark, and you’ll find the music.’

Zou ik hem deze ommekeer aan kunnen praten? Hij zat voor zich uit te staren, zijn gezicht zonder uitdrukking.

‘Doe niet zo zielig,’ zei ik, ‘het is geen doodvonnis. Overigens,’ en nu legde ik verleiding in mijn stem, ‘weet jij wat een leeuwerikspiegel is?’ Ik liet hem de envelop openmaken met de artikelen die ik had gevonden op de website van Herman Arentsen uit Volendam, de auteur van het enige boek over de geschiedenis en constructie van de leeuwerikspiegel, een jagerslokmiddel voor vogels, wijdverbreid vanaf de 17de eeuw in Engeland en het zuiden van Europa. Met deze leesstof, zijn ticket en een fles St. Augustine zette ik hem af bij de drop off zone.

Schreuder is langer weggebleven dan de maand die ik voor hem had gereserveerd in het vogelreservaat. Pas een half jaar later stond hij weer voor mijn deur, met een map vol foto’s en koortsige ogen. ‘Ik heb mijn huis verkocht, ik verdraag dit continent niet, ik ga weg,’ zei hij. Schreuder groette en vertrok zonder nog naar me te kijken terwijl ik op de veranda bleef staan met de map in mijn armen.

Het duurde niet lang voor ik zijn eerste boodschap uit Europa kreeg – een luchtpostbrief uit Amsterdam.

‘Beste M.

Ik achtervolg een zwerver die onder de sneeuw slaapt achter mijn appartement. Hij denkt dat ik hem fotografeer, maar ik doe alsof. Ik volg hem elke dag naar een antiquair op de Spiegelgracht waar hij urenlang staat te staren naar iets in de etalage. Vandaag ben ik dichterbij gaan staan om te kijken wat dat in godsnaam wezen mag – je zult me niet geloven, een leeuwerikspiegel! Ik herkende het van de prints die je mij hebt gegeven op weg naar de vogelkuur die jij voor me had uitgedacht. Ik heb het ding onmiddellijk gekocht. Een model van Robillard uit 1890 in een houten kistje. De antiquair wist te vertellen dat Charcot een zaal vol mensen heeft gehypnotiseerd met een soortgelijk apparaat. In Frankrijk, zei hij, verwijst een miroir aux alouettes naar een politicus die het volk verleidt met valse beloften. Wel, ik maak de lokspiegel tot mijn wapenschild. Want wat doe ik anders dan kijkers verleiden met valse beelden?

Je bondgenoot,

de heer Smeltwater’

Ik las de brief twee keer over. Waarom moest Schreuder elke suggestie van mijn kant tot in het uiterste doordrijven?

Het volgende schrijven kwam een maand later, een ansichtkaart.

‘Hi,

Het is lente, ik zit in een weiland bij Ouderkerk. Mijn camera’s heb ik in de Vecht gedoopt, mijn foto’s van de sneeuwslaper naar het stadsarchief verzonden. Maar de Robillard, o de Robillard werkt! Niet alleen bij leeuweriken, de meeste Gefedertes vallen ervoor. Ze vallen uit de lucht, ik warm ze op mijn schoot tot ze bijkomen. Het mooiste is dat ik zelf ook val door het ding. Ik ontwaak zoals ik was voor ik iemand werd. Hoe gaat het met Peng daar in Onderpapegaaiberg?

Je duopassagier,

Scardinnell’

Peng? Scardinelli? Zou het kunnen dat Schreuder mij iets aan het verstand wilde brengen? Maar wie zou voor een vriend zoveel overhebben dat hij voor dit doel, met zijn eigen werk, met zijn leven zelf, zoveel risico’s zou willen nemen?

Een maand na de kaart kreeg ik telefoon uit het buitenland: de IND. Ambtenaar Johan Moens sprak formeel, hij belde over ene Peter Schreuder, fotograaf, die mijn naam had opgegeven. Schreuder was in verwarde toestand opgepikt op een landweg buiten Amsterdam. Zijn visum was verlopen, hij zou met al zijn bagage, waaronder waterbeschadigde camera’s en een vogellokapparaat in een kistje, uitgezet worden naar Zuid-Afrika. Ik kon hem de volgende ochtend op het vliegveld in Kaapstad ophalen.

Wat was er met hem aan de hand? De artsen die hem in Nederland onderzocht hadden, vermoedden dat hij een meervoudige persoonlijkheidsstoornis had.

Maar Schreuder is niet meervoudig, hij is enkelvoudig en hij maakt geen amok. Hij zit als een groot kind in mijn tuin, zijn gezicht hemelwaarts, rustig ademend, een glimlach zonder gezicht. Hij is zoals hij is maar hij is weg. Hij doet zijn mond niet open. Hij sluit zijn ogen alsof hij bang is dat hij uit zijn openingen lekt.

Welnu, dat lek ben ik. Ik, die het verhaal hier kwam vertellen, en hem heb achtergelaten bij een verpleegkundige en een hulp, zonder zijn speeltje.

Vanaf het moment dat ik Schreuder ben gaan halen op het vliegveld klampte hij zich vast aan de leeuwerikspiegel. Hij liet hem voortdurend draaien, ’s avonds moest hij mee naar bed. Ik moest de kop vastzetten om verdere schade te voorkomen, een verdwaasde man was al genoeg, ik wilde niet ook nog een tuin vol verlamde vogeltjes.

Een maand geleden heb ik voor het eerst de map van zijn vogelsafari bekeken. Had ik echt gedacht dat die gevuld zou zijn met kleurenfoto’s van jangroentjes? Het waren zwartwit-foto’s zonder focus. ‘Waar zijn de vogels, Schreuder,’ vroeg ik. Ik bladerde en toen zag ik het: de vork van een combretum, klaar voor een gaai, zeven kepen in het zandsteen om de raaf te ontvangen, een strelitzia, met de vlaggenstok in het gleufwerk wachtend op een suikervogel. En ik zag telegraafpalen die zich strekken in verwachting, en rietbossen en gras na het vertrek, een opstel in afwezigheid, vol stuwwind en glijstroom, en de speling van sprankelend licht.

Dit was dus de kuur van de vogels, de deelname aan de ontsnapping, in één adem, in één licht, de bevrijding van alles uit hun contouren, Schreuders negatieve weg. Geen opinies, geen kwesties. Hoe kon ik zo dom zijn? Ik met mijn bevrijdingspolitiek en mijn natuurbescherming, die ik onder zijn neus bleef duwen als de enige waardevolle inhoud voor een kunstenaar?

Ik had Schreuders carrière helpen maken, maar zijn leven had ik vernietigd. Ik had berouw. Niet dat hij dat terecht zou vinden. ‘Er valt ook iets te vieren,’ zou hij zeggen, ‘de herkenning van onze onmacht.’ Maar zou dat alles zijn? Ik denk het niet. De onmacht is dichterbij, en van mij, mijn onvermogen tot kameraadschap, tot bondgenootschap met een genereuze, zij het excentrieke ziel. Heb ik op die manier mijn kans gemist? Ik weet het niet.

Samen met de hulp en de verpleegkundige heb ik om hem heen een hof aangelegd: violieren, een bijenkorf, een citroenboomgaard achter het huis. Elke ochtend breng ik Schreuder naar zijn plek onder het waterbessie. Met zijn lege gezicht bepaalt hij het ritme van het huishouden. Omdat hij de stilte zelf is in ons midden praten wij, de anderen, ook niet veel.

Als de janfrederik in de schemering begint te zingen, en ik hoor Schreuder buiten antwoorden, dan ga ik naast zijn stoel staan en dreun een bescheiden begeleiding. De vogel, de augur en de demper. Een roeper, een respondent en een getuige. In het bovenste register het crepusculaire vogelgezang, dan een echo in een doffer menselijk timbre, en onderaan een verbaasde baspedaal. Het is een refrein met variatie: ‘ein Hauch um nichts, ein Weh’n im Gott, ein Wind’. Op zulke momenten denk ik aan het concert met Bachcantates.

Vertaling: Riet de Jong-Goossens.

Dit is een door de auteur bekorte versie van de Verwey-lezing die Marlene van Niekerk gisteravond aan de Leidse Universiteit heeft gehouden. De volledige tekst is te vinden op nrcboeken.nl