Ik zie dit lichaam als een kans

Schrijfster en columnist Annemarie Postma kreeg op haar elfde een dwarslaesie.

Ze begreep: dit lichaam heeft het universum voor mij gereserveerd. Het is een kans.

Stel, je hebt nog nooit gehoord van Annemarie Postma (40). Dat zou kunnen. Ze is zo nu en dan te zien in talkshows, was vorige zomer sidekick bij Knevel & Van den Brink, wordt regelmatig geïnterviewd in bladen en had jarenlang een column in het Algemeen Dagblad. Maar toch, het kan. En stel dan dat je op een dag moet wachten op de trein, de kiosk inloopt en haar nieuwe boek ziet liggen, Ziels Eigenwijs. Je pakt het op, begint te bladeren en denkt misschien even: oh nee, alweer een boek over spiritualiteit. Maar dan kom je bij deze passage:

Als ik bijvoorbeeld terugkijk op de laatste keer dat ik bijna zeven maanden op mijn zij heb moeten liggen vanwege een doorzitplek op mijn linkerbil en een wond aan mijn linkervoet, dan herinner ik me vooral één ding: totale innerlijke vrede. Ik kon niets anders dan liggen, dus dat was wat ik deed. Me ertegen verzetten had geen zin, dus me aan de situatie overgeven was het enige wat ik kon doen. Mijn slaapkamer was mijn kloostertje. Ik was ziek, maar voelde me kalm en volledig thuis bij mijzelf. Niets hoefde anders. Het leven was goed.

Annemarie Postma is sinds een verwaarloosde tekenbeet op haar elfde invalide: van de ene dag op de andere kreeg ze een dwarslaesie. Ze bracht vijf jaar door in revalidatiecentra, studeerde rechten (wat ze niet afmaakte) en ging modellenwerk doen. Sinds ze in 1995 als ‘fotomodel met een handicap’ poseerde in de Playboy is ze bekend. Ze verscheen in de jaren negentig in talrijke praatprogramma’s, vooral in het buitenland. Haar eerste boek heette Ik hou van mij. Dit jaar kwam The deeper secret (2007) uit in de VS, Engeland en Australië. In één zin samengevat gaan haar boeken over het accepteren van de dingen van het leven.

Maar wie Annemarie Postma een ‘beroepsinvalide’ noemt, heeft het verkeerd begrepen. Annemarie Postma is een mooie, hartelijke vrouw die als ze de deur voor je opendoet, nog met de laarzen aan zit: ze heeft net de hond uitgelaten. Over haar handicap praat ze liever niet. En als ze zichzelf in een gewone stoel heeft getild, is er ook weinig meer van te zien. Ja, ze gaat wat vaker dan jijzelf verzitten en dan wrijft ze soms over haar benen. Terwijl je tegenover haar zit, denk je: moeten mensen dan invalide worden om de dingen van het leven te accepteren? Eigenlijk is dat ook gewoon een vraag.

Zeggen mensen in een wrede paradox weleens tegen u: jij hebt gemakkelijk praten, jij moet het leven wel nemen zoals het is?

„Ja, dat gebeurt weleens. Maar niet zo vaak hoor. En dan zeg ik dat ze zich vergissen. Ik accepteer het leven zoals het is, maar ik heb natuurlijk wel allemaal beperkingen. Ik zit al dertig jaar in een rolstoel – wat veel alertheid vergt voor wat betreft de toestand van mijn hart, vaten, nieren en stofwisseling. Mijn hele lichaam is overbelast, ik heb vaak pijn in mijn handen en in mijn armen. Alleen had ik het geluk nog een kind te zijn, toen ik deze handicap kreeg. In kinderen komt het niet op te denken dat de dingen anders zouden moeten zijn dan ze zijn. Die beheersen de kunst van het aanvaarden. Kinderen met een ernstige ziekte hebben ook vaak minder pijn dan de omstanders, die het allemaal zo graag anders hadden gezien. Ze weten: het is nu eenmaal zo. Het zijn de omstanders die vinden dat ze zich er niet bij neer moeten leggen.”

Maar kinderen worden volwassen.

„Ja, maar dat oorspronkelijke besef is gebleven. Natuurlijk kon ik niet onder woorden brengen wat ik nu zeg, toen ik elf jaar oud was. Het was een vaag soort begrip. Ik begreep dat als ik me met mijn lichaam verzoende, ik kon ontspannen. En als je ontspant revalideer je beter. Je haalt het beste uit je lichaam als je er een bondgenootschap mee aangaat. Zoals je ook het beste uit je leven haalt als je je verzoent met de dingen die gebeuren.”

Over dat soort zaken begon u na te denken in de jaren dat u revalideerde?

„Ja. En ik begon erover te lezen. Op mijn zestiende werd ik lid van het Theosofisch Genootschap in Heerenveen. Daar waren we naartoe verhuisd, omdat er een beter revalidatiecentrum was. Het genootschap had een blad dat Sunrise, Theosofische Perspectieven heette. Dat blad verslond ik. Ik wilde niet weten hoe ik beter werd. Ik werd toch niet weer beter. Ik wilde weten waarom ik dit lichaam had gekregen. En dankzij dat blad kreeg ik de woorden om te zeggen wat ik sindsdien zeg: ik heb dit lichaam als een kans om het leven toe te laten zoals het is, in al zijn grilligheid en imperfectie.”

In uw boeken schrijft u zelf al wat je daar tegenin kunt brengen: ‘Veel mensen zullen zeggen: ach ja, iedereen geeft de verklaring voor zijn of haar situatie die het leven dragelijk maakt.’

„Tegen die mensen zeg ik: wat voor woorden je er ook voor gebruikt, het gaat erom in je leven ruimte te bieden aan de realiteit. Geluk is niet de afwezigheid van problemen. Dat denken mensen vaak. En als er dan iets mis gaat zeggen ze: dat mij dat nou moet overkomen, wat een pech heb ik toch weer. Maar het is juist andersom: wat je overkomt, vormt je leven. Veel mensen zitten in een patstelling met de realiteit.”

Poeh.

„Het is toch zo? Mensen zijn ontevreden. Ze kunnen niet omgaan met wat er gebeurt, ze vechten ertegen en willen het anders. Ik denk nooit: oh, wat jammer. Dat komt, ik zie mijn leven niet als een reeks willekeurige gebeurtenissen, maar als een geheel dat het universum voor mij heeft gereserveerd. En misschien is dat wel een geloof. Maar het is ook gewoon vertrouwen hebben in het leven.”

Dus u vindt het vreemd dat mensen tegenslag niet accepteren?

„Nee, dat vind ik niet vreemd. Tegenslagen zijn uitnodigingen om jezelf te ontmoeten op een dieper niveau. Maar daarvoor moet je veranderen. En aan verandering hebben mensen een hekel. Verandering betekent loslaten – en loslaten doet pijn. Loslaten betekent afscheid nemen van dromen en illusies. Maar achter die dromen en illusies ligt nou juist de ruimte voor vernieuwing.”

Tegenslag heeft een functie?

„Ja, dat denk ik wel. Veel mensen zien de dingen die gebeuren in hun leven als iets wat buiten henzelf staat: het overkomt ze. Maar dat klopt niet. Wij creëren ons eigen leven. De vraag die je jezelf moet stellen is: ga ik dit leven dat het mijne is aan of ga ik het uit de weg. In die zin is het leven wel degelijk maakbaar.”

Maar hoop dan? En streven? Zijn dat geen mooie menselijke gevoelens?

„Hoop is voor mij: wantrouwen uitspreken naar het universum. Streven begrijp ik wel. Ik streef ook. Ik streef naar de vooruitgang van mijn ziel. Maar mijn ziel gaat alleen vooruit als ik de dingen die gebeuren zie als overgangen naar een volgende fase van mijn leven. Als ik zou streven vanuit de gedachte dat ik iets tekort kom, neemt dat tekort alleen maar toe.”

Het leven geeft iedereen wat hij nodig heeft?

„Ja, daar ben ik van overtuigd.”