Het klimaat valt nog te redden

Beloften om de uitstoot van CO2 te beperken, worden vooralsnog toch niet nagekomen.

Zet liever in op slimme en goedkope oplossingen.

Een gevoel van paniek maakt zich meester van de velen die een drastische verlaging van de mondiale CO2-uitstoot bepleiten. Het wordt duidelijk dat de bejubelde bijeenkomst van december aanstaande in Kopenhagen niet zal leiden tot een bindend internationaal verdrag dat een wezenlijk verschil voor de opwarming van de aarde zal maken.

Na de retoriek en grote beloften is onder politici inmiddels het zwartepieten begonnen. De ontwikkelingslanden verwijten de rijke landen het gebrek aan vorderingen. Velen leggen de schuld bij de VS, die voorafgaand aan Kopenhagen nog geen emissierechtenstelsel hebben ingevoerd. Anderen verwijten Brazilië, China en India dat zij geen bindende CO2-vermindering willen onderschrijven. Altijd krijgt wel iemand de schuld van de dreigende mislukking.

Toch is al geruime tijd duidelijk dat er een wezenlijker probleem bestaat: onmiddellijke beloften tot CO2-reductie werken niet. Met veel tamtam beloofden de industrielanden zeventien jaar geleden in Rio de Janeiro om de uitstoot in 2000 tot het niveau van 1990 terug te brengen. De werkelijke uitstoot overschreed deze doelstelling met 12 procent. In Kyoto verbonden de leiders zich tot een verlaging in 2010 van 5,2 procent onder het niveau van 1990. De mislukking hiervan wordt waarschijnlijk helemaal spectaculair, met een overschrijding van zo’n 25 procent.

De bedoeling was dat de wereldleiders in Kopenhagen bijeen zouden komen om hun belofte tot CO2-vermindering nog eens te bekrachtigen en zich tot zelfs nog ambitieuzer doelstellingen te verbinden. Maar ook een laatste wanhoopspoging om nog iets van een akkoord te redden zal onze planeet duidelijk geen steek verder helpen. Gezien de povere resultaten moeten we openstaan voor andere benaderingen.

Een realistisch ‘Plan B’ betekent dat we nog eens over onze strategie moeten nadenken. Het Copenhagen Consensus Center heeft dit jaar vooraanstaande klimaateconomen onderzoek laten doen naar haalbare manieren om iets aan de opwarming van de aarde te doen. Hun onderzoek richtte zich op de vraag hoe we onze planeet kunnen helpen door invoering van CO2-belasting, aanplant van meer bomen, reductie van methaan, terugdringing van de roetuitstoot, aanpassing aan de opwarming of concentratie op een technische oplossing.

Het Centrum bracht vijf van ’s werelds topeconomen, onder wie drie Nobelprijswinnaars, bijeen in een panel van deskundigen om al het nieuwe onderzoek te beoordelen en de beste keuzen te bepalen.

Het panel stelde vast dat een hoge CO2-belasting over de hele wereld de slechtste keus zou zijn. Deze constatering berustte op onderzoek waaruit bleek dat zelfs een zeer doelmatige mondiale CO2-belasting ter vervulling van de ambitieuze doelstelling om de temperatuurstijging onder de 2 graden Celsius te houden, in 2100 de jaarlijkse BNP’s over de hele wereld met liefst 12,9 procent oftewel 40 biljoen dollar zou verminderen. De totale kosten zouden vijftig maal zo hoog zijn als de vermeden klimaatschade. En als de politici minder doelmatige en minder gecoördineerde emissiemaatregelen zouden treffen, dan konden de kosten nog eens tien tot honderd maal verder oplopen.

In plaats hiervan adviseerde het panel op korte termijn vooral te investeren in onderzoek naar klimaattechniek (climate engineering) en ons op langere termijn te richten op energie die niet uit koolstof wordt opgewekt.

Sommige voorgestelde klimaattechnieken zouden goedkoop, snel en doeltreffend kunnen zijn. Zo is er een techniek om ‘wolken te witten’, waarbij boten druppels zeewater in de wolken boven zee sproeien, zodat ze meer zonlicht terugkaatsen de ruimte in en daarmee de opwarming verminderen. Met een investering van 9 miljard dollar zou deze wolktechniek de opwarming van de aarde voor deze hele eeuw compenseren.

Door dit soort technieken zouden we tijd kunnen winnen – en die tijd hebben we hard nodig als we onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen duurzaam en soepel willen afbouwen. Uit onderzoek blijkt dat niet-fossiele energiebronnen ons – op grond van de huidige beschikbaarheid – niet verder dan halverwege zullen brengen op weg naar een stabiele CO2-uitstoot in 2050, en nog voor een veel kleiner deel in de richting van stabilisatie in 2100.

Als de politici hun koers verleggen en in Kopenhagen besluiten om meer in onderzoek en ontwikkeling te investeren, zou de kans veel groter worden om deze techniek op het vereiste niveau te krijgen. En omdat dit goedkoper en eenvoudiger zou zijn dan CO2-reductie, zou de kans veel groter zijn om tot een waarachtige, brede – en dus succesvolle – internationale overeenkomst te komen.

Met behulp van emissierechten zouden onderzoek en ontwikkeling kunnen worden bekostigd, en zou ook een prijssignaal kunnen worden afgegeven om de inzet van doelmatige, betaalbare technische alternatieven te bevorderen. Met een jaarlijkse investering van zo’n 100 miljard dollar zou het probleem van de klimaatverandering in de kern aan het eind van deze eeuw opgelost kunnen zijn.

Ook al zal het zwartepieten de opwarming van de aarde niet oplossen, de groeiende paniek zal misschien toch een positieve uitkomst hebben, en wel als we daardoor tot een heroverweging van onze huidige aanpak zouden besluiten. Als we echt in actie willen komen, moeten we kiezen voor slimmere oplossingen, die minder kosten en meer effect hebben. Voor die uitkomst zou elke politicus graag de verantwoordelijkheid willen aanvaarden.

Bjørn Lomborg is verbonden aan het Copenhagen Consensus Center en de Copenhagen Business School. Hij schreef Cool It en The Skeptical Environmentalist.