Het geval Hoek van Holland

In Hoek van Holland ontleenden zowel relschoppers als politie inspiratie aan films. De discussie in Frankrijk rond Polanski toont aan, dat de grens tussen het persoonlijke en publieke er vervaagt. Kunst en moraal – het is een eeuwenoud debat, en het blijft een moeilijk huwelijk.

De YouTube collectie van het Sunset Grooves feest bij Hoek van Holland hoort aan het eind van het jaar bovenaan aan de lijstjes ‘beste film van 2009’. Er is geen film in de bioscoop geweest die zo zuiver onze tijd weerspiegelt als deze filmpjes.

De desoriëntatie van de hoofdpersonen wordt door de stijl van de filmers de desoriëntatie van het publiek. We worden onontkoombaar meegetrokken, het strand op. We rennen door het duister. We dringen op naar politieagenten die rug aan rug op de menigte schieten.

Beluíster ze vooral. Het opgewonden ‘Kánkur!’ en het langgerekte ‘Sooww!’ van de jongen die de kogels om zijn oren hoort fluiten. Een normaal mens zou bang zijn. Maar angst hoor je niet in de stem van de jongen. Je hoort opwinding. Deze jongen en zijn vrienden kunnen zich niet voorstellen dat de kogels hen zullen verwonden. De kogels verhogen de collectieve feestvreugde alleen maar.

De Rotterdamse politiecommissaris Aad Meijboom stelde vast dat de relschoppers niet achteruit waren gegaan na waarschuwingsschoten, zelfs niet toen gericht geschoten werd en mensen gewond raakten. ‘Apestoned en straalbezopen’, was de verklaring van deskundigen op radio en tv.

Maar er is meer in de moderne mens gevaren dan drank en drugs alleen. Er is een vervreemding ontstaan waar film een belangrijke rol in speelt. In Inside Man van Spike Lee gijzelt een stel rovers klanten en personeel van een bank. Onder hen is een jochie van acht. Hij is de rustigste van alle gijzelaars. Als zij hun mobiele telefoons moeten inleveren, biedt hij de roversbaas zijn PSP aan. Hou maar, zegt de baas. Later komt hij naast het jongetje zitten. Ben je niet bang, vraagt hij. Nee, hij vindt het wel cool. Wat is dit voor spelletje, vraagt de rover. Op het schermpje knalt de ene gangsta de andere af. Een ripdeal is 50 punten, zegt het jongetje. Dat je vader je zo’n spel geeft, zegt de rover mat.

Voor het jongetje is een bankroof een tamme afspiegeling van zijn dagelijkse realiteit – ook als die bankroof echt gebeurt en de ripdeals zich voltrekken in de virtualiteit van zijn zakcomputertje. Dat is wat een eeuw cinematografie met de psyche van de mens heeft gedaan. De Parijzenaars die in 1895 vanaf een doek in het Grand Café een trein op zich af zagen komen – de eerste openbare filmvertoning in de geschiedenis – deinsden volgens de overlevering nog achteruit. Dit leek net echt! Maar wat zegt iemand die anno 2009 een aardbeving, een vliegtuigongeluk of een bomaanslag meemaakt? ‘Het was net een film.’

De pogingen agressie uit de samenleving te bannen lopen parallel met de kunstzinnige stilering van steeds grover geweld, die vervolgens zijn weg terug vindt naar de realiteit. Een officier van justitie heeft mij eens uitgelegd waarom Antilliaanse criminelen, ondanks hun excessieve gebruik van vuurwapens, toch relatief weinig dodelijke slachtoffers maken. Hun kogels treffen zelden doel doordat ze hun pistool een kwartslag draaien, zoals ze het in gangsterfilms zien.

Een eeuw geleden kreeg een jongen ’s ochtends een pets van zijn vader als hij te laat opstond. Van de meester kreeg hij met de lat omdat hij zijn les niet kende. Op het schoolplein moest hij knokken met andere jongens en ’s avonds thuis gaf zijn moeder hem een pak slaag als hij daarbij zijn broek had gescheurd. Al die vormen van alledaags geweld zijn in een eeuw tijd (formeel) uit de Nederlandse samenleving gebannen.

Het verdwijnen van geweld uit het burgermansleven heeft er ook een onwezenlijk fenomeen van gemaakt. Geweld als een heimelijk begeren. In de film Fight Club ontdekken aan Ikea verslaafde kantoormannen het knokken als ultieme authentieke ervaring. Wat gebeurt er in hun hoofd als ze in de bioscoopzaal zo’n film zien? Ze willen ook wel eens echt leven. Voelen. Dreunen uitdelen. Incasseren.

Film is, bij gebrek aan echt geweld, voor fysieke pijn het referentiekader geworden. Regisseurs spelen met dat gegeven, zoals Quentin Tarantino in Inglourious Basterds wanneer een officier moppert over het gebrek aan

vervolg Nederland

verlofdagen: „Watching Donny beat Nazi's to death is the closest we ever get to going to the movies.”

Intussen turven wetenschappers het aantal en de duur van geweldsscènes in film – beide stijgen. Van het instituut dat de Kijkwijzer beheert, kregen in 2007 twee op de drie bioscoopfilms het predikaat ‘geweld’ mee. Veertig procent van die films werd niettemin geschikt bevonden voor kinderen vanaf zes jaar. Nou staat tegenover elke onderzoeker die een verband concludeert tussen het zien van geweld en gewelddadig gedrag wel een wetenschapper die zeker weet dat daarvan geen sprake is. Maar misschien is het goed om er de waarneming tegenover te stellen van Alexander Payne, regisseur van de zoetzure Sideways, waarin twee vrijgezellen een rondreis maken langs de Californische wijnkastelen. Payne werd gevraagd naar zijn mening over een gewelddadige film. Toen Sideways een hit werd, antwoordde Payne, is de omzet van Californische wijnen wereldwijd met dertien procent gestegen, dus kom mij niet vertellen dat een film geen invloed heeft op het gedrag van zijn publiek.

In de afgelopen jaren zijn geweldsfilms steeds intelligenter vermomd als documentaires of homevideo’s: Death of a President, Cloverfield. Sindsdien is de verwarring tussen echt en niet-echt compleet. Zulke films zijn relatief goedkoop (weinig licht, digitale camera’s). De groezelige, schokkerige beelden sluiten naadloos aan op de beeldtaal van iedereen die na 1980 geboren is. Voor een modern kind kon praten, had het zichzelf al duizend keer gezien op homevideo. De filmindustrie brengt ons in een staat van zelfoverschatting. Iedereen is hoofdpersoon in de actiefilm van zijn eigen leven.

Zelfs neergeschoten worden, is binnen dit referentiekader heroïsch. De ultieme held van schoffies uit migrantenfamilies is Tony Montana uit Scarface, een Cubaanse kruimelcrimineel die het maakt in de drugsscene van Florida en ten slotte in een regen van kogels sterft. Tony Montana is geen seconde bang voor geweld, zelfs niet als hij met een kettingzaag wordt bedreigd. „Stick your head in your ass. See if it fits”, bijt hij zijn beul toe.

Dat is waarom feestgangers doorlopen terwijl de politie op hen schiet. Om te laten zien dat ze niet bang zijn voor pijn en klaar zijn voor de ultieme kick: je even Tony Montana wanen. Sooww!

Het denken in filmtaal beperkte zich in Hoek van Holland niet tot de feestende jongens. Het AD interviewde politieagenten die die avond al evenzeer Die Hard 4.0 gespeeld hadden. De krant beschreef aan de hand van politiegetuigenissen deze scène: ,,Zes agenten van de bereden brigade kijken even verderop over het festivalterrein uit. ‘Spoed, spoed, spoed! Er wordt geschoten’, horen ze in hun oortje. De commandant kijkt zijn manschappen aan. ‘Ik heb iedereen gevraagd te vluchten. Je stuurt ze anders de dood in. We dreigden op onze paarden schietschijf te worden’.

Maar de agenten twijfelen geen moment en wagen het er op. Te paard duiken ze de massa vandalen in. ‘Je hoorde alleen maar: ‘kankerjoden’ en ‘kankerpaarden’. En telkens maar: ‘Rot-ter-dam hoo-li-gans!’. We zijn gaan slaan met onze wapenstok. Keihard. Ik voelde dat ik met mijn paard over de mensen heen liep.’ Tot hun grote opluchting zien de agenten dat het optreden effect heeft. De massa wordt uit elkaar gedreven. Barry: ‘We beseften plots dat we in een dalletje stonden. Met op vier plekken om ons heen groepen relschoppers. We zijn er gewoon weer op af gegaan. We dachten: ‘We rijden je nu plat. Nu is het klaar’.’’

Let op de zorgvuldig geplaatste dramatische momenten in dit verhaal, zorgvuldig vorm gegeven als in een filmscenario. De overmacht. De helden op hun paarden. De commandant en de manschappen die elkaar aankijken. Het besef dat het gevaar te groot is en dat ze het maar beter kunnen mijden, en het besluit om het juist toch op te zoeken. „,There are some things a man just can't run away from’’, zei John Wayne al in Stagecoach. En het feit dat ze ondanks hun uitzichtloze situatie winnen. De verliezers worden helden. The End.

Morgen in NRC Weekblad: De vrienden van Robby