Genocide is veel erger dan een oorlog

Genocide is nooit een reden geweest om in te grijpen.

Dat moet anders, schrijft Daniel Goldhagen. We moeten overgaan tot ‘humanitair bombardement’.

Mediamagnaat Ted Turner, de oprichter van CNN, zei eens: „Als de techniek zou hebben bestaan, dan zouden we Eva Braun in de Donahue Show en Adolf Hitler in Meet the Press hebben gehad.” En zo is het. Wij in het Westen behandelen genocideplegers – of hun echtgenotes – zelden als de vuige massamoordenaars die ze zijn. In plaats van ze uit te schakelen, staan we ze te woord alsof het legitieme politieke leiders zijn en vergaderen we met ze in bijvoorbeeld de Verenigde Naties. Genocides herkennen we ook lang niet altijd. Boutros-Ghali, voormalig secretaris-generaal van de VN, verklaarde na de genocide in Rwanda (1994) dat de internationale gemeenschap niet had ingegrepen, omdat niemand doorhad dat het genocide was. „We realiseerden ons niet dat genocide ook met alleen machetes kan.”

De Amerikaanse Holocaust-onderzoeker Daniel Goldhagen denkt dat Boutros-Ghali loog. Natuurlijk wist hij dat het genocide was, in Rwanda. Maar hij wist ook dat genocide voor de internationale gemeenschap nooit een reden was om in te grijpen.

Ongestoord en schijnbaar ontspannen implementeren de daders hun vernietigingsbeleid: ze doodden niet in één snelle aanval, maar tijdens het grootste deel van hun machtsperiode. Ze wisten dat niemand zou komen om ze te stoppen, zegt Goldhagen.

Goldhagen (1959) publiceerde in 1997 de internationale bestseller Hitlers gewillige beulen, waarin hij korte metten maakte met het ‘Wir haben es nicht gewusst’ van ‘gewone Duitsers’. Bezield door een eeuwenoude Duitse antisemitische cultuur, die ook gewone Duitsers tot de slotsom had gebracht dat Joden behoorden te sterven, hadden ze massaal geholpen de Holocaust uit te voeren. In 2002 verscheen van hem Morele afrekening, over de rol van de katholieke kerk in de Holocaust. Voor Worse Than War, het derde deel van wat zijn levenswerk genoemd mag worden, reisde hij onder meer naar Rwanda, Guatemala, Cambodja, Kenia en de voormalige Sovjet-Unie, om archieven uit te pluizen en daders, overlevenden, politieke leiders en maatschappelijke organisaties te ondervragen.

Hij rekent uit dat in ons tijdperk, vanaf het begin van de 20ste eeuw, ten minste twee, misschien drie keer zoveel mensen om het leven kwamen door uitroeiingscampagnes (127-175 miljoen doden), dan door oorlogen (‘slechts’ 61 miljoen doden). Genocide is veel erger dan oorlog, stelt Goldhagen. En wat we ons (ook) onvoldoende realiseren, is dat genocide een politieke daad en niet een spontane uitbarsting in een oorlog is. Uitsluiting en verdrijven van volken en groepen zijn twee van de bekendste, uithongering is er een waar we misschien minder snel aan denken bij ‘genocide’. Maar de meeste hongersnoden in de moderne geschiedenis hadden voorkomen kunnen worden met voedselvoorraden die beschikbaar waren, maar die politieke leiders verkozen niet te distribueren.

Goldhagen wijst in zijn boek nadrukkelijk de ‘politieke islam’ – een term die hij kiest om aan te geven dat niet de religieuze overtuiging het werkelijke issue is – aan als de gevaarlijkste politieke beweging van onze tijd. Hamas, Hezbollah, Al-Qaeda en leiders in bijvoorbeeld Iran, Afghanistan, Soedan en Somalië delen niet per se overtuigingen over de juiste interpretatie van de Koran, maar wel een ideologie over de noodzaak om de niet-islamitische ‘vijand’ politiek te overwinnen. In veel opzichten doet de politieke islam Goldhagen denken aan de internationale communistische beweging, die ervan uitging dat de moderne wereld opnieuw gemodelleerd moest worden, al kostte dat miljoenen mensenlevens.

De politieke islam is op dit moment de enige beweging met de ambitie om de politiek, maatschappij en cultuur van de rest van de wereld te herscheppen en die er rond voor uitkomt, bereid te zijn om grote groepen vijanden te elimineren. Tel bij het ideaal de legioenen ijverige volgelingen op die enthousiast het vernietigingsprogramma willen uitvoeren en Goldhagen ontwaart een ‘klassieke formule’ die al vele malen in de geschiedenis die hij bestudeerde heeft geleid tot vernietiging van miljoenen mensenlevens. Hoewel een groot deel van de Arabische wereld niet van de politieke islam is, is ook een groot deel dat wel, schrijft hij. En de uitvoering van het plan is in gang. Westerlingen worden aangevallen, door Al-Qaeda, maar vooral Arabieren zijn het slachtoffer. Miljoenen Arabieren lijden en sterven door moordzucht en repressie in landen waar de politieke islam overheerst.

Van alle sterfgevallen in ons tijdperk was 2 tot 4 procent slachtoffer van een genocide, rekende Goldhagen uit. Tel daarbij de vele tientallen miljoenen mensen op die een genocide overleefden, maar door eliminatiepolitiek alles en iedereen verloren en die voor generaties getekend achterbleven. Pas dan realiseren we ons hoe relevant het verschijnsel voor geschiedenis en toekomst van de mensheid is. Genocide is geen ver-van-mijn-bedshow, schrijft Goldhagen.

Het boek eindigt op verrassend opgewekte toon. Volgens Goldhagen is het niet moeilijk om aan genocides een einde te maken. We moeten alleen de keuze te maken: genocide is geen misdrijf tegen één volk of groep, maar een aanval op de mensheid. Hoe kunnen we immers zeker weten dat de daders zullen stoppen na eliminatie van die ene groep?

Duitsers, Japanners en Sovjets stopten niet, Serviërs trokken moordend van gebied naar gebied, de Rwandese Hutu’s zetten de eliminatie van Tutsi’s voort in Congo, Hamas propageert de export van het martelaarschap naar alle landen ter wereld. Met hun oorlogsverklaring aan één groep zijn daders in feite vijanden van de mensheid en zo bezien hebben we het recht ze te verslaan. Een woest plan van de schrijver? Nee. De constructie bestaat al in het internationale recht. Piraten bijvoorbeeld vallen onder de Hostis Humani Generis, een juridische doctrine die bepaalt dat piraten in permanente staat van oorlog verkeren met alle landen ter wereld.

We moeten ons niet laten afschrikken door ingewikkelde analyses en de schijnbare enormiteit en complexiteit van het probleem, adviseert Goldhagen. Als we daders uitschakelen en dat een ‘humanitair bombardement’ noemen, zoals we in het geval van Kosovo al deden, doet geen kip daar verder moeilijk over. Integendeel: de wereld zou blij en trots zijn en de interventie een belangrijke positieve stap naar een betere wereld noemen.

De VN heffen we op als het aan Goldhagen ligt, want van de 193 lidstaten worden er 104 geleid door niet-democratische leiders die het optreden tegen collega-dictatoren alleen maar traineren. Er is uiteindelijk maar één leider nodig die het morele voortouw neemt. En die ene zou álles veranderen en het model voor de toekomst worden.

Daniel Jonah Goldhagen: Worse Than War: Genocide, Eliminationism and the Ongoing Assault on Humanity. PublicAffairs, 672 blz. € 20,–