Fatjes én macho's

‘In naam was Athene een democratie, in werkelijkheid de regering van één man’, aldus Thucydides. Hoe konden roeiers dan zo machtig zijn?

John R. Hale: Lords of the Sea. The Epic Story of the Athenian Navy and the Birth of Democracy. Viking Press, 395 blz. € 29,95

Stephen V. Tracy: Pericles. A Sourcebook and Reader. Berkeley University of California Press,, 219 blz. € 20,–

De Atheners uit de vijfde eeuw voor Christus zouden vermoedelijk hard hebben moeten lachen om de moderne, westerse democratieën, vooral om het gemak waarmee regeringsleiders hun staatsbestel democratisch noemen, terwijl iedereen kan zien dat hun respectievelijke regeringssystemen zozeer van elkaar verschillen dat ze onmogelijk allemaal als zodanig betiteld kunnen worden.

Zij hebben enig recht van spreken. In hun tijd, toen in andere Griekse steden aristocraten de lakens uitdeelden, nam in Athene de volksvergadering de politieke beslissingen. De stem van iedere mannelijke burger van 18 jaar en ouder woog daarbij even zwaar. De kritiek van tijdgenoten op dit democratische experiment was niet mis. Plato en Xenophon vonden het veel te radicaal en zagen het als een ondermijning van de positie van de weldenkende elite. Het ging er bij hen niet in dat mensen zonder enige politieke scholing de dienst uitmaakten. Sommige moderne geleerden vinden juist dat het systeem zelfs helemaal niet als democratisch betiteld kan worden: de burgers maakten niet meer dan 20 tot 25 procent van de bevolking uit en de belangrijkste bestuurstaken bleven in handen van de leden van de elite.

John Hale mengt zich in zijn boek Lords of the Sea nauwelijks in de theoretische discussies over het democratische gehalte van het Atheense politieke systeem. Voor hem is het een vaststaand gegeven dat Athene een volksregering had, die in de talloze beroepsroeiers van de grote Atheense vloot haar felste pleitbezorgers had. Ruim 160 jaar, van 483 v.Chr. tot 322 v.Chr., was de democratie, met korte onderbrekingen, van kracht en al die tijd bliezen de roeiers in de volksvergadering hun partijtje mee. Vanuit hun perspectief kijkt Hale naar de geschiedenis van Athene in de vijfde en de vierde eeuw. Dat levert een origineel verhaal op over het doen en laten van allen die Athene grote macht op zee bezorgden.

De ondertitel van zijn boek, The Epic Story of the Athenian Navy, geeft duidelijk aan dat hij de geschiedenis van Athene ziet als een heldenverhaal met pieken en dalen. Zijn grote held is de later in Athene verguisde Themistocles. In 483 v.Chr., toen de dreiging van een Perzische invasie toenam, wist hij de volksvergadering ervan te overtuigen dat de opbrengsten van de zilvermijnen van Laurium moesten worden aangewend voor de bouw van een oorlogsvloot, en drie jaar later leidde hij de nieuwe vloot van de Atheners (en van de overige Grieken) bij Salamis naar een glorieuze overwinning. Het was het begin van een bloeiperiode van vijftig jaar.

Minder lovende woorden wijdt Hale aan de Atheense leiders uit de Peloponnesische Oorlog (431-404 v.Chr.). Zij hebben met hun eigenzinnige gedrag Athene een slechte dienst bewezen en de ondergang van de Atheense heerschappij op zee ingeluid. In de vierde eeuw richtte Athene zich nog een keer op, maar de nederlaag bij Amorgos in 322 v.Chr. maakte een einde aan alle aspiraties.

Hale’s boek onderscheidt zich van andere boeken over Athene doordat hier iemand aan het woord is die de zee, de schepen en vooral de roeiers volop in de schijnwerpers plaatst. In de eerste bladzijden wordt dat al duidelijk, als hij een sfeerbeschrijving geeft van een trireem, hét oorlogsschip van die tijd, die als een statige zwaan de haven van Piraeus binnenvaart. Verderop in het boek laat hij mooi zien hoe de roeiers, 170 op iedere trireem, de basis legden voor de Atheense voorspoed. Zij krijgen bijna een heldenstatus, omdat zij de gouden eeuw van Athene hebben vormgegeven. Door hún daadkracht kon Athene de Perzen uit de Egeïsche Zee verdrijven. Zij waren er ook verantwoordelijk voor dat de lidstaten van het bondgenootschap tegen de Perzen contributie moesten storten in de bondskas, die Athene vervolgens aanwendde om de Akropolis te verfraaien met immense bouwwerken.

Nauwgezet volgt Hale het optreden van de roeiers in vredes- en in oorlogstijd. Dag in dag uit gingen ze de zee op om de manoeuvres te oefenen die ze in een zeegevecht in praktijk moesten brengen. Hun trots toonden zij opzichtig. Ze paradeerden door de straten van Athene en gedroegen zich in de volksvergadering als macho’s. Het voormalige minderwaardigheidscomplex van de arme burgers, daterend uit de tijd dat Athene nog geen vloot bezat, had plaatsgemaakt voor een groot zelfvertrouwen. Ze hadden zich zelfs de gewoonte aangemeten er goed verzorgd uit te zien en lieten zich na een expeditie meteen door een kapper scheren om niet voor een mislukte filosoof uitgemaakt te worden.

De persoonlijke benadering van Hale werkt aanstekelijk. Het is hem gelukt om uit het versnipperde bronnenmateriaal, grotendeels vervaardigd door elitaire schrijvers die niet veel ophadden met het gewone volk, een levendig beeld op te roepen van de rol van gewone Atheners in het machtsspel van hun tijd.

Maar ik kan mij voorstellen dat sommige lezers meer geïnteresseerd zijn in traditionele verhandelingen waarin vooral de hoofdpersonen van de Atheense democratie evenwichtig worden neergezet. Zij worden op hun wenken bediend door Stephen Tracy met zijn Pericles. A Sourcebook and Reader. Aan de hand van de belangrijkste literaire en epigrafische bronnen schetst hij een portret van Pericles, de bekendste strateeg van Athene. In dit boek geen persoonlijke ontboezemingen, maar een degelijk betoog over de man die er halverwege de vijfde eeuw v.Chr. alles aan heeft gedaan om Athene te maken tot het centrum van de Griekse wereld. Met het geld uit de bondskas werden overal vandaan kunstenaars aangetrokken om de stad een andere aanblik te geven. De man die daar de aanzet toe gaf bleef voor zijn tijdgenoten echter een raadsel. De geschiedschrijver Thucydides schreef met gevoel voor understatement: ‘In naam was Athene een democratie, in werkelijkheid was het de regering van één man.’