Faillissement is in ieders belang

Velen noemen mijn oproep om DSB failliet te laten gaan onverantwoordelijk. Ik zou velen, zelfs mijn eigen achterban, schaden. Allemaal onzin, meent Pieter Lakeman.

Door mijn oproep tot het weghalen van spaargelden, waarmee ik uit was op het faillissement van DSB Bank, zou ik velen hebben benadeeld, stelt Toni van Hees (Opiniepagina, 14 oktober). Zelfs zou ik de belangen van mijn eigen achterban hebben geschaad, de circa 100.000 mensen die waardeloze of te dure polissen zijn aangesmeerd.

Ik bewonder Toni van Hees voor de wijze waarop hij vermogensbeheerder René van den Berg heeft aangepakt en gedeeltelijk heeft leeggeschud. Ik heb ook respect voor zijn poging relevant ogende omstandigheden en argumenten bijeen te brengen. Uit zijn stellingen blijkt echter een gebrek aan kennis van de feiten.

De suggestie dat ik aan de noodregeling heb bijgedragen, verdient toelichting. DSB Bank zou ook zonder mijn oproep om spaargelden terug te vragen (waarvoor ik inmiddels vele dankbetuigingen heb ontvangen) failliet zijn gegaan. Ik heb het faillissement slechts bespoedigd. DSB Bank was reeds geruime tijd verlieslatend en had in feite geen positief vermogen en ook geen verdienmodel. Door het faillissement te vervroegen heb ik voorkomen dat de verliezen nog langer zouden voortduren. Daar hebben alle schuldeisers voordeel van, ook spaarders. Ik hoef daarvoor geen lintje te ontvangen, maar betreur het wel dat vakmensen als Van Hees conclusies trekken zonder de situatie bij DSB te kennen en zelfs zonder de typische eigenschappen van een bankfaillissement voldoende te kennen.

Bij liquidaties van productiebedrijven treden in het algemeen grote verliezen op, bijvoorbeeld doordat machines die buiten bedrijf worden gesteld hoogstens schrootwaarde hebben. Bij liquidatie van een handelsbedrijf worden voorraden vaak tegen sterk verlaagde prijzen verkocht. Ook dat zijn liquidatieverliezen.

De stelling dat bij liquidatie van een bánk relatief grote verliezen optreden, is in zijn algemeenheid echter onjuist. Misschien dat dat bij de liquidatie van de Indover Bank wel is gebeurd (ik heb dat faillissement niet bestudeerd), maar dat zou een uitzondering op de regel zijn. Bij de afwikkeling van de Tilburgsche Hypotheekbank begin jaren tachtig hebben schuldeisers uiteindelijk bijna 100 procent ontvangen. Ook bij de afwikkeling van Van der Hoop Bankiers door mr. Schimmelpenninck c.s. in 2006 ontvingen spaarders bijna 90 procent (en inclusief een schadevergoeding van DNB zelfs bijna 100 procent).

Een faillissement leidt niet alleen tot liquidatieverliezen, maar vrijwel altijd ook tot het zichtbaar worden van al aanwezige, maar boekhoudkundig verborgen verliezen. Die zijn vaak moeilijk te onderscheiden van liquidatieverliezen.

Ook bij de liquidatie van DSB Bank zullen aanzienlijke verborgen verliezen zichtbaar worden. Enerzijds doordat de afgelopen jaren onvoldoende op debiteuren is afgeboekt en anderzijds doordat DSB Bank obligaties van Scheringa’s dochtermaatschappijen heeft aangekocht en voor tientallen miljoenen boven de reële waarde op de balans heeft gezet (zelfs al is dit volgens de International Financial Reporting Standards (IFRS) toegestaan).

Van Hees voert twee argumenten voor zijn beschuldiging aan. Het eerste argument houdt in dat de schade-uitkeringen aan mijn achterban vertraagd worden omdat men vermoedelijk minstens een jaar moet wachten. Dat argument is onjuist want zonder faillissement zou er minstens twee jaar en misschien zelfs drie jaar gewacht moeten worden doordat tegen DSB geprocedeerd moet worden. Scheringa heeft namelijk categorisch geweigerd om een oplossing voor alle slachtoffers van het onrechtmatig handelen zelfs maar te bespreken. Hij was slechts bereid aan een klein clubje slachtoffers grote schadevergoedingen te betalen (er zouden negentien concrete schadevergoedingen zijn overeengekomen). Door het faillissement worden uitbetalingen van juridisch gefundeerde claims dus minstens een à twee jaar versneld. Dat was, naast het stoppen van de verliezen, ook de belangrijke overweging om het faillissement te versnellen.

Ik breng in herinnering dat curatoren van Van der Hoop Bankiers in 2006 binnen drie maanden en een week na het faillissement al een verificatievergadering hadden gehouden en dat binnen vijf en een halve maand de eerste grote uitbetaling werd gedaan. De uitbetaling van gefundeerde schadeclaims aan de slachtoffers van DSB is door het faillissement mogelijk dus zelfs twee jaar versneld.

Het tweede argument tegen een faillissement is bizar. Van Hees redeneert dat het bestuur van de bank veel meer mogelijkheden dan een bewindvoerder heeft om benadeelden tegemoet te komen omdat de bank er belang bij heeft problemen met klanten op te lossen om reputatiebeschadiging te voorkomen, ook al hebben die klanten juridisch beschouwd geen claim. Deze stelling is moeilijk te onderscheiden van het advies om zich te laten afpersen. Ik ben benieuwd op wie Van Hees het oog heeft. Dat kan niet mijn achterban zijn want de Stichting Hypotheekleed treedt slechts op voor bonafide claims van mensen die apert onrechtmatig zijn benadeeld door DSB Bank en haar zustermaatschappijen.

Ten slotte de schadeclaims zelf. Van Hees brengt naar voren dat bewindvoerders de schadeclaims niet zullen erkennen, omdat het berekenen van hoge provisies niet onrechtmatig is. Ook dit standpunt berust op gebrek aan kennis van de feiten. De schadeclaims die door Hypotheekleed begeleid worden zijn niet gebaseerd op het vragen van hoge provisies, maar op ernstige schending van de zorgplicht door DSB Bank en enkele van haar zustermaatschappijen.

Pieter Lakeman is voorzitter van Stichting Hypotheekleed. Tevens is hij oprichter en voorzitter van Stichting Onderzoek Bedrijfsinformatie (SOBI).