Eikelmuis in een kastje

Op hem bekende en onbekende plekken beschouwt Koos van Zomeren de natuur in een tweewekelijkse rubriek.

Hazelmuizen had ik al twee keer gezien en ik zal niet zeggen dat dat wel genoeg is, hazelmuizen zijn zó schattig, maar nu eens wat anders: eikelmuizen. Om te beginnen moet je dan iemand zien te vinden die weet waar je ze kunt vinden.

Ik bel de Zoogdiervereniging. Hun eigen eikelmuizenonderzoek zit in het slop (drie gezenderde dieren kwijt), maar ik zou Jean Creuwels kunnen proberen.

Ik bel Jean Creuwels. Hij heeft de laatste tijd weinig succes gehad. Als ik wil komen, is dat op eigen risico. En niet te lang wachten – het seizoen loopt ten einde, ze gaan in winterslaap.

Jean is 67. Zijn flatje ligt aan de buitenkant van Maastricht, uitzicht op het Savelsbos. Hij zat in de WAO. Hij deed dassen. Dassen worden actief bij het vallen van de nacht, en zo kwam hij in aanraking met eikelmuizen die dan ook actief worden.

Het handige bij eikelmuizen is dat ze gebruikmaken van kastjes. Ja, het zijn net mezenkasten, alleen zit de opening anders. Jean heeft er inmiddels zo’n tachtig hangen. Hij rapporteert aan de provincie Limburg, die daar een bescheiden onkostenvergoeding tegenover stelt.

We gaan, in en net buiten het bos, een stel van die kastjes langs. Jean bekijkt de sterappeltjes die hij bij een vorige gelegenheid heeft achtergelaten. Als die zijn aangevreten, kun je aan de knaagsporen zien of het een eikelmuis is geweest of een bosmuis.

Dan tilt Jean een deksel op en beduidt hij me stilletjes dichterbij te komen. De hoofdprijs: volwassen wijfje. De jackpot zelfs: volwassen wijfje met een kluwen van vijf, zes halfwas jongen. Ze kiezen een kastje (maar eigenlijk nooit twee keer achtereen hetzelfde), kruipen weg onder een laagje vers gedolven mos en slapen de hele dag.

Ik moet bekennen dat mijn bezoek de dieren geen plezier deed. Ze sprongen op als een kurk uit een champagnefles. Twee van de jongen schoten het struweel in. Je gelooft je ogen niet, zo vlug. Hier, daar en weg. Net of je een film ziet met maar twee beeldjes per seconde.

„Dat komt wel in orde”, zegt Jean. Deze jongen worden allang niet meer gezoogd, ze vergezellen het moederdier om het terrein te leren kennen. Zij, het moederdier, kijkt intussen hijgend op naar die grotemensengezichten. Ze draagt zoals alle volwassen eikelmuizen een boevenmaskertje en je vraagt je af waarom – dit is wel het laatste dier dat je zou verwachten bij een bankoverval of het carnaval.

En ons geluk kan niet op. Een paar kastjes later treffen we nog een wijfje met halfwas jongen, en weer in zo’n rommelig uithoekje: wat struikgewas, wat vergeten fruitbomen, een verwaarloosd heggetje. Dit zijn, aldus Jean Creuwels, precies de landschapselementen die bij de in 1999 voltooide ruilverkaveling op grote schaal zijn opgeruimd.

Hij houdt het erop dat dit de laatste populatie in Nederland is, hij schat haar op een vijftiental volwassen dieren. (Rob Hoekman van de Zoogdiervereniging is minder pessimistisch, maar dat het aantal vindplaatsen de afgelopen decennia drastisch geslonken is, staat buiten kijf.)

Afijn, ik heb nu behalve de hazelmuis ook de eikelmuis gezien. De tijd verstrijkt, ik word steeds zeldzamer.