De toekomst van gisteren in nieuwe sf-films

Deze week gingen de sf-films Moon en Surrogates in première.

Daarin gaat het om herkenbaarheid, virtuoos kopiëren, recyclen en mixen.

Hij heeft er wel om gevraagd, erkent Duncan Jones met een vage glimlach. Om al die recente krantenkoppen als ‘Ground Control to Major Tom’, ‘The Boy Who Fell to Earth’ of ‘Zowie Stardust’. Duncan Zowie Heywood Jones is de naam in het paspoort van de 38-jarige regisseur. Zijn ouders noemden hem Zowie Bowie.

Zijn vader, popster David Bowie, hulde zich toen in futuristische vermommingen als Ziggy Stardust en Thin White Duke. Hij had een hit met Space Oddity, over de op drift geraakte astronaut Major Tom – een single die als gimmick werd uitgebracht in juli 1969, toen Apollo 11 op weg was naar de maan. Die titel parodieerde 2001: A Space Odyssee, de sf-film van Stanley Kubrick.

Het is dus niet zo raar dat de pers aan het associëren slaat als de zoon debuteert met een sf-film over een eenzame astronaut op de donkere zijde van de maan – een film die bovendien in zijn eerste shot al schatplichtig is aan 2001: A Space Odyssee. Want Moon, de eerste speelfilm van Duncan Jones, begint met een steriele witte maanbasis en een astronaut die op een loopband trimt om spieratrofie tegen te gaan. „Ik ben een sf-geek”, zegt Duncan. „Dus uiteraard maak ik een sf-film. Die associatie met mijn vader bedacht ik pas toen Moon klaar was.”

Moon voelt met zijn complexe, cerebrale script en gehechtheid aan harde wetenschap bijna nostalgisch. Zulke sciencefiction maken ze niet meer. De regisseur wil ook niets weten van moderne sf, „waarin alleen explosies en actiescènes het verhaal stuwen”. Daarmee heeft hij de visueel vaak verbluffende, maar lege sf-pulp van dit jaar aardig samengevat.

Want 2009 is een goed jaar voor sciencefiction. Blockbusters als Star Trek, Transformers 2 en Terminator: Salvation scoorden bevredigend tot voortreffelijk aan de kassa. De klapper van komende winter wordt Avatar, een spektakel waarin soldaten via avatars, leenlichamen, strijden met buitenaardse wezens op een mijnplaneet.

Dat gegeven hangt kennelijk in de lucht. Want in Gamer, vorige week in première, besturen spelers van afstand ter dood veroordeelden die als gladiatoren op leven en dood moeten vechten. En in de sf-thriller Surrogates, die vanaf deze week draait, leeft de mensheid onderuitgezakt in loungestoelen: surrogaten, op hun hersengolven aangesloten paspoppen, doen het zware werk en lopen de risico’s. Surrogates toont een vervreemdende wereld van Barbiepoppen, glossy als een tableau vivant van David LaChapelle.

Maar zowel Gamer als Surrogates doet weinig met de veelbelovende uitgangspunten, uitvergrotingen van trends als virtuele realiteit, rollenspellen op internet, plastische chirurgie, robotica en technologie om protheses aan te sluiten op hersengolven. Surrogates is louter oppervlakte, en verder rennen en schieten in een slap plot rond een waanzinnige geleerde.

Logisch, vindt Duncan Jones van Moon. „Iedere studio wil nu sciencefiction, daar zit het geld. Maar dan wel domme sciencefiction graag. Het genre kan niet zonder dure speciale effecten, denken ze, dus spelen ze op veilig en mikken op een breed en jong publiek. Dat levert infantiele films op. Waar is de science in al dat ontploffend metaal?”

Toch lijdt zijn Moon op een hoger niveau aan gelijke gebreken: een obsessie met stijl en herhaling – substantie is een bijgedachte. Sf-auteur Toby Litt noemde Moon onlangs in het tijdschrift New Statesman een typisch product van de cut-and-paste-generatie, die louter sampelt en originaliteit zoekt in de mix, niet in ingrediënten. Kinderen van Quentin Tarantino, die bouwwerken van ‘klassieke’ beeldcitaten scheppen voor kijkers die trots zijn er zoveel mogelijk te herkennen. Voor uit de reclame afkomstige filmmakers als Duncan Jones bestaat weinig onderscheid tussen kunst en reclame: het gaat om herkenbaarheid, virtuoos kopiëren, recyclen en mixen. De stem van Kevin Spacey is belangrijk „omdat hij zoveel bagage heeft”. Niet omdat hij verrast, maar omdat hij iets bekends oproept.

Zelfs een per definitie vooruitkijkend genre als sciencefiction wordt zo pastiche, retro, nostalgie. De toekomst van gisteren. Filmmakers kunnen nu elke pixel manipuleren, schrijft Toby Litt, maar etaleren vooral gebrek aan fantasie. „We hermaken in furieus tempo klassieke sciencefiction, groter, luider, sneller. Alles ‘lijkt een beetje op’. Alles is postproductie.”

Dat geldt ook voor de onverwachte sf-hit District 9, die vorige week in première ging. Met een voor Hollywood zeer bescheiden budget van 30 miljoen dollar verdiende deze film wereldwijd al 163 miljoen dollar.

In District 9 arriveren eind jaren tachtig, in de nadagen van de apartheid, een miljoen insectachtige aliens met een ruimteschip boven Johannesburg. Hoe dreigend dat schip ook boven de stad hangt, de aliens aan boord blijken werkbijen van een bijenkorfmaatschappij zonder leiders, hongerig en verloederd. Ze hebben geavanceerde wapens die alleen zij kunnen bedienen. Maar geen plannen, geen initiatief.

District 9 is het debuut van het dertigjarige Zuid-Afrikaanse talent Neill Blomkamp, ook afkomstig uit de reclame. De invloeden van District 9 zijn helder. De film lijkt een hommage aan de gespierde sciencefiction van de jaren tachtig, bloedige actiespektakels gemengd met sociale satire – het soort films waarmee Paul Verhoeven groot werd in Hollywood. Het getto voor aliens kennen we uit de tv-serie Alien Nation. Hoofdrolspeler Wikus van de Merwe muteert in scènes vol ‘body horror’, bekend uit David Cronenbergs The Fly. Het ruimteschip boven Johannesburg komt uit Independence Day. Enzovoorts.

Maar in stijl en sfeer herinnert District 9 aan Verhoevens Amerikaanse doorbraak Robocop uit 1987, waarin een gewetenloze multinational de politie privatiseert en uit lichaams- en robotdelen een Frankensteinagent assembleert. Die film was een bron van inspiratie voor Blomkamp: hij maakte ooit een filmpje waarin een robotagent orde houdt in de zwarte krochten van Johannesburg. En zoals Verhoeven zijn toekomstvisie kleur gaf met futuristische reclamespotjes en tv-shows, zo begint District 9 als een ‘mockumentary’ van archiefbeelden, amateuropnamen en straatinterviews.

Het is dit jaar wachten op een filmmaker met de ambitie een nieuwe toekomst te tonen. Duncan Jones heeft een volgende project op stapel: Mute, een sf-film in toekomstig Berlijn, de stad waar zijn vader eind jaren zeventig de albums Low, Station to Station en Lodger opnam. „Ik ben dol op Berlijn”, zegt hij. „Zo’n opwindende stad, zoveel beweging, constructie, immigratie en mysterie.” Over het script wil hij weinig kwijt. Alleen dit: „Het lijkt op Blade Runner.”