De laatsten der Ottomanen

Aan de Armeense genocide liggen verborgen sociale krachten ten grondslag, zo blijkt uit enkele nieuwe studies.

Karen Barkey: Empire of Difference. The Ottomans in Comparative Perspective. Cambridge University Press, 342 blz. € 54,20.

Grigoris Balakian: Armenian Golgotha. Knopf, 560 blz. € 33,95.

Het zaterdag ondertekende akkoord tussen Turkije en Armenië is de eerste stap op een lange en moeilijke weg naar verzoening, waarbij de Armeense genocide van 1915 het grootste struikelblok is voor zowel Turkse als Armeense nationalisten. Tegen de achtergrond van WO I werden Armeniërs op grote schaal gedeporteerd. . Tijdens het transport kwamen velen om van honger of uitputting, terwijl anderen het slachtoffer werden van verkrachtende en ontvoerende bendes, of zelfs van regelrechte doodseskaders. In het oosten van het rijk werden hele streken van Armeniërs ontdaan. In het westen waren het vooral de politieke en culturele leiders die werden getroffen; veel andere Armeniërs in Istanbul kwamen deze periode relatief ongeschonden door.

De schattingen over het aantal slachtoffers lopen uiteen, maar waarschijnlijk zijn er rond een miljoen Armeense doden gevallen. In de debatten sindsdien overheersen de vragen over al dan niet genocidale intenties van de toenmalige Turkse machthebbers, en over imperialistische medeverantwoordelijkheid bij de massamoorden. Onder Turken is het debat opnieuw opgelaaid dankzij de publicatie van Taner Akçams A Shameful Act (besproken in Boeken, 23.02.07).

Minstens zo brandend zijn de vragen naar de onderliggende structurele factoren van het gewelddadige einde van het Ottomaanse Rijk. Waarom veranderde het eeuwenlang relatief tolerante Ottomaanse Rijk in de 19de eeuw zo snel in een arena van steeds gewelddadiger confrontaties tussen nationalistische bewegingen? En waarom zijn alleen de Armeniërs en niet bijvoorbeeld de Ottomaanse Grieken, Serviërs of Arabieren aan zo’n extreem geweld blootgesteld?

Karen Barkey’s belangwekkende studie Empire of Difference doet een nieuwe poging om zulke vragen te beantwoorden. Barkey, hoogleraar sociologie aan de New Yorkse Columbia Universiteit, presenteert een – sterk op Max Webers historische sociologie leunende – analyse van de meer verborgen sociale krachten die het rijk eeuwenlang bijeenhielden, en later uiteen deden vallen. Daarbij richt ze haar blik vooral op veranderende netwerken en allianties.

Door Barkey’s consequent vergelijkende aanpak geeft Empire of Difference een genuanceerd beeld van de sterke en zwakke kanten van de Ottomanen, vooral in vergelijking met het Oostenrijk-Hongaarse rijk van de Habsburgs en het tsaristische Rusland. Bij zo’n vergelijking valt de relatief grote Ottomaanse religieuze tolerantie op. De Habsburgers probeerden hun onderdanen te bekeren tot de katholieke kerk; de Russische tsaren wilden dat hun onderdanen Russisch orthodox werden. Terwijl de Ottomaanse heersers doorgaans christenen en joden erkenden en beschermden.

Minder tolerant waren ze tegenover heterodoxe islamitische bevolkingsgroepen die verdacht werden van contacten met islamitische buurlanden. Barkey maakt korte metten met het cliché van het despotische en decadente Ottomaanse Rijk; ze benadrukt er juist de opmerkelijke duurzaamheid, flexibiliteit en tolerantie van. Die tolerantie werd ook door denkers als Locke en Voltaire ten voorbeeld gesteld aan het Europa van de Verlichting.

Nadrukkelijk zoekt Barkey de verklaring voor de Ottomaanse tolerantie niet in religieuze of ideologische factoren, maar in lokale politieke praktijken: tolerantie, suggereert ze, is niet inherent aan deze of gene religie, maar is een strategie voor het vestigen en handhaven van staatsmacht. De Ottomanen richtten zich op het vormen van allianties met netwerken van lokale leiders, stamhoofden, en zelfs rebellen; hun heerschappij, concludeert ze, werd niet simpelweg van bovenaf door de Staat aan de bevolking opgelegd, maar kwam in steeds veranderende processen van onderhandeling tot stand.

Eeuwenlang ging dat goed en relatief vreedzaam, en konden de Ottomaanse heersers zich succesvol aanpassen aan veranderende omstandigheden. Waarom is het dan in de 19de eeuw zo misgegaan?

Toen namen etnische en religieuze spanningen, en Ottomaans wantrouwen tegen de christelijke onderdanen, snel toe. Barkey zoekt de oorzaken van deze veranderingen verder terug, in de 18de eeuw, toen zich door de toename van handel en erfpacht nieuwe netwerken en machtscentra in de provincies vormden. Het centrale gezag in Istanbul was volgens haar niet in staat om zich effectief aan te passen aan deze nieuwe netwerken van provinciale religieuze en militaire leiders en de opkomende handelsklasse.

Imperia

Er spreekt veel voor deze analyse; vooral Barkey’s nadruk op veranderende netwerken is verfrissend. Ze roept ook algemenere vragen op, bijvoorbeeld waarom moderne natiestaten zoveel meer moeite hebben om verschillen in taal, religie en cultuur te aanvaarden dan voormoderne imperia. Alleen verklaart Barkey niet goed waarom deze nieuwe netwerken sektarische en nationalistische vormen aannamen. Al in beschrijvend opzicht is ze onvolledig: zo ziet ze merkwaardig genoeg de belangrijkste van de nieuwe oppositiebewegingen, de Wahhabi’s op het Arabische schiereiland, over het hoofd. Ook beperkt ze zich tot politieke hervormingen en economische veranderingen, en negeert ze de culturele ontwikkelingen, vooral het ontstaan van nieuwe religieuze en nationalistische verhalen; terwijl het juist die ontwikkelingen zijn die om een verklaring vragen. Barkey bespreekt zulke culturele factoren op de valreep in een al te kort en haastig slothoofdstuk. Dat roept dan ook meer vragen op dan het beantwoordt, en valt eigenlijk nogal uit de toon bij de rest van het boek.

Haar voornaamste probleem is dat ze de uiteindelijke opdeling van het rijk in nationalistische opvolgerstaten als onontkoombare uitkomst lijkt te beschouwen. Een groeiende groep Ottomaanse historici gelooft echter dat het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk helemaal niet onvermijdelijk was, maar het gevolg was van een aantal betrekkelijk toevallige factoren, met name het Ottomaans-Duitse bondgenootschap in WO I. Als de Ottomaanse machthebbers zich aan de zijde van de overwinnaars hadden geschaard, was hun rijk wellicht evenmin zo radicaal aan stukken gescheurd als Rusland of China.

Het cruciale belang van de Ottomaans- Duitse banden wordt ook benadrukt in Armenian Golgotha van de Armeense bisschop Grigor Balakian, oorspronkelijk in 1922 in het Armeens gepubliceerd. Balakian was een van de Armeense politieke en intellectuele leiders die in april 1915 in Istanbul werden gearresteerd. Zijn boek is een dikwijls schokkend, soms aangrijpend ooggetuigenverslag van de deportaties, mishandelingen en moordpartijen. Het is verleidelijk om dit verhaal van ellende en incidenteel medelijden, en van massale wreedheid en individuele daden van protest, te plaatsen naast getuigenissen van Holocaust-overlevenden; maar Armenian Golgotha heeft een fundamenteel ander karakter. Het is niet alleen het relaas van een overlevende, maar zoals Balakian zelf zegt ook een monument voor de martelaren van de destijds net onafhankelijk verklaarde Armeense natie: het probeert de gebeurtenissen ook politiek en historisch te duiden.

Als persoonlijke getuigenis is Armenian Golgotha indrukwekkend, maar als historische en politieke analyse is het achterhaald. Balakian toont hoe gruwelijk de realiteit ter plekke was, maar hij had slechts indirecte en beperkte kennis van de plannen die in Istanbul werden gemaakt. Aan zijn politieke analyse ontbreken ook de decennia die aan de massamoord voorafgingen, en waarin de verhoudingen tussen Armeense onderdanen en Ottomaanse heersers snel verslechterden.

Loyale onderdanen

Merkwaardig genoeg doet hij er ook het zwijgen toe over zijn eigen leven in die jaren, en met name over zijn verhouding tot de belangrijkste Armeense politieke organisaties van zijn tijd, de revolutionaire Dashnak- en Hunchak-bewegingen. Het waren echter de diverse aanslagen door deze bewegingen die de Ottomaanse heersers het idee gaven dat de Armeniërs in hun rijk geen loyale onderdanen waren.

Balakian spreekt slechts zijdelings over dit revolutionaire nationalisme. Zo klaagt hij tussen neus en lippen door over het onverantwoordelijke gedrag van Armeense personen en organisaties, dat volgens hem de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk nodeloos in gevaar heeft gebracht. Zulke terzijdes passen niet goed op zijn nationalistische visie dat de Ottomaanse heersers er eigenlijk al eeuwen lang op uit zouden zijn geweest om de Armeniërs uit te roeien. Meermaals benadrukt Balakian dat de Armeniërs altijd loyale Ottomaanse onderdanen waren; maar tegelijkertijd vervalt hij geregeld in het fel-nationalistische taalgebruik van bloed en bodem, van martelaarschap en maagdelijkheid, dat ook organisaties als de Dashnak kenmerkte.

Balakians nationalisme leidt ook tot een voor hedendaagse lezers verbazingwekkende conclusie: hij beschouwt de massamoorden als een noodzakelijke voorbereiding op Armeense onafhankelijkheid. Die omschrijft hij met zoveel woorden als de ‘beloning’ voor de enorme offers die de Armeniërs hebben gebracht. In het voorwoord van zijn boek komt deze nationalistische visie het duidelijkst tot uitdrukking: ‘Ik wil dat alle toekomstige Armeense generaties weten hoe duur hun vrijheid en onafhankelijkheid zijn gekocht: tegen de prijs van meer dan een miljoen onschuldige levens’, schrijft hij daar. Zulke passages wijzen op het opkomende nationalisme dat het einde van het Ottomaanse Rijk en de ondergang van de Ottomaanse Armeniërs begeleidde. Op deze complexe cultureel- en politiek-nationalistische dimensies hebben we, bijna honderd jaar na dato, nog altijd geen goed zicht.