Alsof er zoveel lichter werk is

Mensen met zware beroepen moeten na dertig jaar ander werk krijgen aangeboden, vindt het kabinet.

Zwaar werk, dat is bijvoorbeeld stratenmaken, zegt iedereen. Dat klopt.

Ik voel een lichte pijn opkomen in mijn rechterbiceps. Mijn elleboog zeurt. Het lijkt wel of er in mijn rechterschouder een branderig bolletje zit. Verder trekt het onderin mijn rug, zijn mijn tenen bevroren, en tintelen mijn knieën. Ik voel mijn bilspieren. Ik ben ook een beetje duizelig, als ik opsta.

Dat komt allemaal doordat ik een half uurtje stratenmaker ben geweest. Ik ging het proberen omdat de vraag op de redactie was of dat nou zwaar werk is, stratenmaken. En hoe zwaar dan wel. Nou, stratenmaken is dus echt zwaar, zo ondervond ik gisteren.

De stratenmaker staat deze week stevig in de belangstelling, nu het kabinet een besluit wil nemen over de leeftijd waarop wij in de toekomst met pensioen mogen. Nu is dat met 65 jaar. Dat moet 67 worden, om de kosten van de vergrijzing op te kunnen vangen en de economische crisis het hoofd te kunnen bieden.

Vakbonden, werkgevers en kabinet zijn het tot nu toe niet met elkaar eens. Dinsdagavond stelde het kabinet als compromis voor dat mensen in zware beroepen eerder met pensioen moeten kunnen blijven gaan. Na dertig jaar moet hun een lichtere baan worden aangeboden. Het gaat dan bijvoorbeeld om stratenmakers, bouwvakkers, leerkrachten en verplegers.

Goed. We staan in de Buys Ballotstraat in Utrecht.

De weg moet opnieuw worden bestraat, omdat boomwortels langs de kant de stenen omhoog hebben gewerkt. De klinkers moeten er dus even uit. En er moeten nieuwe stoepranden in. Die tillen de stratenmakers zelf van de grond. Ik durf niet te proberen hoe zwaar dat is. Dan komt er een shovel die met zand de straat vlak maakt. Dan de oude stenen er weer opnieuw in ‘tikken’.

Dit is zijn vak, zegt Jeroen van der Heijden. Hij doet het sinds zijn zeventiende. Nu is hij 39. Tel maar na.

Hij heeft wel een tijdje wat anders gedaan. Hij was opzichter in de bouw. En hij zat met zijn vader in het ‘sierhekwerk’. Maar als opzichter heb je dat gezeik. En dat ijzer van die sierhekken is hartstikke koud in de winter. Hij moest er ook nog voor met een auto het hele land door. Nee, dat was het allemaal niet. Dit wel.

Tuurlijk is het zwaar, zegt hij. De meeste stratenmakers zijn na twintig, dertig jaar helemaal versleten. Door de houding waar je voortdurend in zit. Je zit veel op je knieën, daardoor krijg je snel ontstoken slijmbeurzen. Verder til je veel terwijl je zit. En dan draai je tegelijkertijd je romp. Dat is niet zo gezond.

Deze klinkers vallen wel mee qua gewicht. Maar je hebt ook van die dikke keien in de binnenstad. En tegels. En je staat ze vaak half gebukt uit een kruiwagen te tillen.

Er komen weliswaar steeds meer machines die het werk doen. Maar het meeste moet met de hand. En je werkt in regen, kou en wind. Vocht is de pest. Ik zie dan ook nooit een vrouw dit werk doen, zegt Van der Heijden. Ja, ooit zag hij er één. Maar die leek ook meer op een man. Ik heb altijd last van mijn rug, zegt hij monter.

En toch. Als hij de straat inkijkt. Voor hem ligt de rotzooi en liggen de kapotte stenen. Maar achter hem, waar de straat klaar is, is het glad, vlak en netjes.

Je maakt wat moois, zegt hij. Je bent vrij. En altijd buiten. En ik weet ook niks anders. Hij wil nu best even laten zien wat het werk inhoudt.

Hij bindt zijn kniebeschermers voor en pakt zijn straathamer. Hij zakt op zijn knieën. De platte kant van de hamer heet de lepel, kijk maar. Daarmee egaliseer je het zand. Dan leg je de steen erin. En met de hamerkant tik je hem vast. Hij doet tien stenen in een minuut. Kaarsrecht in het patroon. Na elke drie kwartier even een sjekkie roken.

Nu jij, zegt hij.

Ik doe de beschermers om mijn knieën. Ze lijken een beetje op de beschermers die ik zelf heb, voor het skaten. Maar dan dikker. Ik zak op mijn knieën. Pas op je duim! Dat ging al bijna fout. Als ik tik, maak ik zelf het geluid van al die stratenmakers in al die straten waar ik ooit doorheen fietste. Er komen wat collega’s van Van der Heijden aanlopen, om te kijken hoe ik het doe. Eentje rookt ook shag mee. Een mevrouw op de stoep blijft staan om te vragen of ik het vak aan het leren ben.

Van der Heijden had nog niets over het plan van het kabinet gehoord. Oh, zegt hij. Dertig jaar zwaar werk? En daarna? Advocaat? Zijn collega’s lachen mee.

Hij bedoelt: niet erg realistisch, dat plan. Dit verzinnen mensen vanachter hun bureau, zegt een collega. Alsof er zoveel ander, lichter, werk voor het oprapen ligt voor mannen zoals zij.

Ja, hij kan misschien op de shovel rijden. Maar dat is niks. Dan wordt hij de hele dag overal heen gestuurd. Bovendien, hij werkt voor zichzelf. Dus die regeling van dertig jaar, geldt vast niet voor hem.

Hij zegt, ik denk dit nog tien jaar te doen. Dan is hij bijna vijftig. En dan kijkt hij wel wat er op zijn pad komt.

Stratenmaken is topsport, zegt één van zijn collega’s. Hij vindt dat je na veertig jaar gewoon moet kunnen stoppen met dit werk. En dat je dan pensioen krijgt – en nooit meer iets hoeft te doen. Als je langer doorgaat, ga je dood in de baan, zegt een ander. De meeste in het groepje hebben zelf ‘pensioendingen’ geregeld. Zodat ze rond 55, 57 kunnen stoppen.

Weet je wat zwaar werk is, zegt de collega. Verpleegkundige, dat is mijn vrouw. Die moet mensen in bed en uit bad tillen. Een ander zegt: kankerpatiëntjes begeleiden. Kinderen weg zien teren. Of automonteurs die zich als een slang in een nauw stukje van de auto moeten wurmen om iets te repareren. Of ijzervlechter. Daar krijg je zo’n nek van. En stratenmaken dus, zeggen ze. Die is ook wel topvijf. Misschien wel topdrie.

’s Avonds begint het erger te gloeien in mijn schouder.