Wat de planoloog kapot maakt

De politiek banjert te vaak met zevenmijlslaarzen door de samenleving, vindt socioloog Godfried Engbersen. Beleid pakt daardoor averechts uit.

Dirk Vlasblom

Oude wijken worden met de sloophamer geherstructureerd, want er moet plaats komen voor middenklassers. De AOW-leeftijd gaat omhoog, want vergrijzing maakt het stelsel onbetaalbaar. En immigratie wordt steeds meer aan voorwaarden gebonden. De politiek komt tussenbeide in maatschappelijke processen en sociale systemen. Maar die ingrepen hebben nogal eens averechtse gevolgen.

Fatale remedies, het nieuwste boek van de Rotterdamse hoogleraar sociologie Godfried Engbersen, gaat over sociaal beleid dat iets anders, soms zelfs het tegendeel, bewerkstelligt van wat wordt beoogd. Het beschrijft de mechanismen die maken dat doelen verschuiven of uit het zicht raken. In zijn werkkamer aan de Erasmus Universiteit geeft hij voorbeelden van valkuilen die sociaal beleid laten ontsporen.

Als eerste mechanisme noemt hij functionele ontwrichting, ontregeling van een sociaal systeem. „Neem het herstructureringsbeleid voor de grote steden. Oude stadswijken gaan op de schop, ook wijken waar nog een sociaal weefsel bestaat. Er wonen wel arme mensen, maar er is nog een gemeenschap. Als alles gesloopt wordt omdat er middengroepen moeten komen, wordt dat sociale weefsel aangetast. In de Rotterdamse buurt Nieuw Crooswijk dreigt dit te gebeuren. Planologen stellen zich nog te weinig de vraag of er niks kapot gaat door hun ingrepen. Onderzocht is in hoeverre de door de politiek gewenste sociale menging echt plaatsvindt. Dat oude en nieuwe bewoners warme contacten onderhouden, is onzin. Wel vergroot samenleven van verschillende inkomensgroepen het economische potentieel van een wijk. Ik ben voor menging, maar niet als vitale gemeenschappen kapot worden gemaakt.”

Beleid kan averechts uitpakken door calculerend gedrag. Dat mechanisme noemen sociologen exploitatie. Een klassiek voorbeeld is misbruik van sociale voorzieningen, maar er zijn meer exploitanten. Engbersen: „Nu wil men de AOW-leeftijd verhogen tot 67 jaar. We weten dat tegenwoordig nog maar 13 procent van de 64-jarigen werkt. Wat gaat er dan gebeuren na die verhoging? Werkgevers zullen mensen in dienst moeten houden tot hun 67ste, maar dat willen ze helemaal niet! De kans is groot dat ze, net als destijds met de WAO, de uitkeringsregelingen gebruiken als afvloeiingskanaal. En dat levert geen besparingen op.”

Een derde, al even duivels mechanisme is ‘classificatie’: ambtelijke indeling van burgers en gemeenschappen die een eigen leven gaat leiden. Engbersen: „Een mooi voorbeeld zijn de Vogelaarwijken. In het Rotterdamse Oude Noorden en in Den Haag Zuid-West zijn heftige discussies gevoerd. Mensen waren niet blij met het etiket ‘probleemwijk’. Door dit stempel op buurten te drukken kwam een kettingreactie op gang: onroerend goed daalde in waarde, banken wilden bijna geen hypotheken meer verstrekken in Vogelaarwijken en bewoners wilden weg. De classificatie heeft handelingsgevolgen voor verschillende partijen. Je moet een wijk ook niet te snel betitelen als prachtwijk, want dat leidt alleen maar tot teleurstelling. Bewoners hebben de pest aan politici die of te slecht spreken over een wijk of overspannen verwachtingen wekken.”

Doelen verschuiven; neem integratie. Sinds 2001, zegt Engbersen, is burgerschap in Nederland van een juridisch begrip (rechten en plichten) steeds meer een morele categorie geworden. „Het gaat nu vooral over waarden en normen. Er wordt niet alleen gezegd: je moet meedoen. Nee, je moet je volledig aanpassen aan de Nederlandse samenleving. Maar dat is schijninburgering. Je moet de migrant eerst laten werken, en daarom moet je zorgen dat hij Nederlands leert. De tweede of derde generatie zal zich die Nederlandse cultuur en identiteit vanzelf eigen maken. Je moet oppassen dat je met die moralisering geen wig drijft in de maatschappij. Hele groepen krijgen nu het idee dat ze geen deel uitmaken van de Nederlandse samenleving. Je moet migranten erop aanspreken dat ze economisch participeren en zich aan de wet houden. Bij de beleving van hun eigen identiteit moet je ze in belangrijke mate vrijlaten.”

Engbersen pleit voor een afgewogen sociaal beleid, voor fine-tuning. „Dat klinkt weinig meeslepend, maar de samenleving is ongelooflijk complex, fragiel ook, en ik vind dat de politiek er te vaak met zevenmijlslaarzen doorheen banjert. Men is dikwijls rechtlijnig; het is zus of het is zo. Alle beleid leidt tot calculerend gedrag en classificeert degenen die er wel en niet voor in aanmerking komen. Daarom moeten beleidsmakers hun plannen niet alleen laten doorrekenen door het Centraal Planbureau, ze moeten ook de gevolgen doordenken die deze plannen hebben voor het gedrag van en de relaties tussen mensen.”

De tijd van ‘stelselherzieningen’, zoals de hervorming van de sociale zekerheid en de privatisering van het oude Ziekenfonds, ligt achter ons. Engbersen is daar niet rouwig om. „Die grote ideologische concepten hebben onvoldoende gewerkt. In de jaren tachtig zagen we de gevolgen van een uitgedijde verzorgingsstaat: een miljoen arbeidsongeschikten in een land met een hoge levensverwachting. We hebben ook de grenzen gezien van het maatschappelijk middenveld dat zichzelf zou kunnen reguleren. En we zien nu de excessen van de markt. Die grote ideologieën bevatten bruikbare elementen – markt, staat en civil society – maar zijn op zichzelf onvoldoende. Ik ben voor beleid waarin gespeeld wordt met die ingrediënten. In sommige situaties is meer marktwerking goed; in de telecommunicatie begint het te werken. In de financiële sector is vooral meer toezicht nodig. En de universiteiten zouden gebaat zijn bij meer zelfregulering. Juist de mengvorm van deze drie maakt de kracht uit van westerse samenlevingen. Ideologisch exclusivisme leidt tot excessen.’’