Ons soort mensen kraakt netjes

De Tweede Kamer stemt vandaag waarschijnlijk vóór het nieuwe kraakverbod.

Aan de Amsterdamse Lauriergracht zijn ze tegen: er zijn genoeg ‘nette’ krakers.

Als er op het raam wordt getikt, duikt Liú Mottes (20) op een oude bureaustoel en rolt ze met een rotvaart vijftien meter verder naar de voordeur, die is gebarricadeerd met hout en een forse bouwstempel. Het is een komen en gaan van moeders met warme truien en vriendinnen met ballonnen om de kraak te vieren.

Afgelopen zondag legden Mottes en drie vrienden hun luchtbedjes neer in een kleine, oude machinefabriek aan de Amsterdamse Lauriergracht. De kraak werd zorgvuldig georkestreerd door het Studentenkraakspreekuur dat vorig weekeinde in Amsterdam een ‘kraakgolf’ organiseerde als protest tegen het kraakverbod. Een Kamermeerderheid wil kraken strafbaar stellen, onder meer omdat de kraakbeweging gewelddadiger zou worden. Krakers vinden een verbod een gotspe, omdat de woningnood hoog is, en de leegstand groot.

Mottes en haar vrienden kraakten niet uit protest, maar uit nood, zeggen ze. De vier schoolvrienden zijn inmiddels tweede- of derdejaars student. Op hun ouders zijn ze uitgekeken, voor sociale woningbouw komen ze voorlopig niet in aanmerking, de antikraakwachtlijst is ze te lang en in de vrije sector kost een enkele kamer al snel 400 euro. „Daar kun je dan net een bed neerzetten”, zegt Mottes, „maar heb je niet eens een wasbak”. Nu heeft ze een balzaal.

Kraken doe je zo: lokaliseer een geschikt pand en zoek in overleg met een kraakadvocaat uit of het gebouw langer dan een jaar leegstaat. Laat ‘vrijwilligers’ – slotenmakers met kraaksympathieën – langskomen, til je matras en stoel (het zogenoemde krakerssetje om aan te tonen dat het de intentie is het pand te gaan bewonen) naar binnen, bel de politie en vraag om ‘huisvrede’.

De eerste nacht zaten de nieuwe bewoners van de Lauriergracht nog angstvallig naar de deur te staren. Mottes: „Bij elk piepje schrokken we.” Bang voor de eigenaar, en boze buren. Inmiddels overheerst het zelfvertrouwen en speelt het groepje ’s avonds pim-pat-pet.

In het beeld van verharding van de kraakwereld, waar de indieners van de antikraakwet mee schermen, herkennen ze zich niet. Sterker, ze kennen helemaal geen krakers van het prototype hanekam en hond. „Dat is niet ons soort mensen. Wij vinden actie voeren wel leuk, maar het is niet politiek, niet links of rechts.” Het beruchte krakersbolwerk Vrankrijk in de Spuistraat vinden ze niet representatief voor de moderne kraakbeweging. In Amsterdam zou het merendeel bestaan uit „nette mensen”.

„We hebben wel al dagen niet gedoucht”, zegt Jillis Kruk. Er is nog geen warm water.

De filosofiestudent werd twintig jaar geleden aan de overkant van de Lauriergracht geboren. Kraken was zijn jongensdroom. Nu rommelt hij met zakmessen, kaarsen in bierflesjes, butagas en pakjes chocomel. Ze willen snel een „gezellige zithoek” bouwen, met televisie. De eigenaar mag ze dankbaar zijn, vinden ze. Ze knappen het pand, dat al twee jaar leegstaat, tenminste op.

Mensen denken dat krakers een soort zwervers zijn, zegt Mottes. „Maar niemand wil toch in een stofnest wonen?” De emmertjes koude sop staan al klaar. Echt investeren in het pand, doen ze alleen niet. Als het kraakverbod er komt, pakken ze direct hun biezen. „We begrijpen dat eigenrichting niet past in een democratische rechtstaat”, zegt Boris van Hoytema (21) plechtig.

De krakers aan de Lauriergracht schuwen geweld en dromen van een goede baan. Bouwkundestudent Jaap (20) aarzelde zijn achternaam te geven. Niet uit angst voor justitie, maar omdat hij nog moet solliciteren. Zijn vader stond ooit in de krant als Vietnamdemonstrant en dat bleek niet handig. Jaap belt even zijn vader en zegt dan: „Bontekoe. Ja, zoals de scheepsjongens.”