Omgekeerde wereld

Jirí Kylián, de choreograaf aan wie het Nederlands Dans Theater (NDT) zijn allure dankt, kreeg de ‘Zwaan voor de meest indrukwekkende dansprestatie’ voor zijn voorstelling Gods and dogs. Koud had hij de prijs in handen of hij gaf hem door aan Gerald Tibbs. Kylián argumenteerde in een open brief (nrc.nl/kunst) dat Tibbs de prijs verdient, omdat hij na een uitzonderlijke danscarrière zijn leven nu wijdt aan het herkennen en bevorderen van jong talent – prestaties waarvoor hem „nooit een bekroning is toegekend”.

Deze Zwaan verloor zo zijn waarde. De prijs veranderde in een privécadeautje. Niet Kylián maakt uit wie hem verdient, dat is aan de dansjury van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties. Maar zijn gebaar illustreerde wel zijn twijfel over zijn eigen bekroning.

In het kielzog daarvan doet Kylián voorstellen voor een andere organisatie van de Zwanen, de belangrijkste Nederlandse dansprijzen. En daarin verdient hij steun.

Niet dat Kylián zelf geen prijs zou verdienen. In de loop der jaren vielen hem er tientallen toe. Om zijn kwaliteiten, dat eerst. Omdat een jury vaak niet om hem heen kan. En ook omdat een prijs aan prestige wint als hij aan hem wordt toegekend.

Maar dat is wel de omgekeerde wereld. Kylián constateert dan ook scheefgroei. Geef prijzen aan choreografen onder de 35, stelt hij onder meer voor, dan is het doorgaans duidelijk wat iemand waard is. Over die leeftijdsgrens valt te twisten: 40 lijkt reëler.

Maar zijn idee snijdt hout, want het breekt een voor de hand liggende jurering open. Voor choreografen met een gevestigde reputatie is er bovendien een Gouden Zwaan voor bijzondere verdiensten.

Wat Kylián vaststelt, kleeft niet alleen de Zwanen aan. Of het literatuur betreft, beeldende kunst, film of muziek, in de kunsten worden geen snelheid of afstanden gemeten. Overwinning geschiedt op punten. De criteria voor die punten veranderen met de samenstelling van de jury’s. Vandaar dat er over de uitslag sowieso wordt gecorrespondeerd. Niet voor niets stellen juryrapporten meestal lusteloos bewonderend vast dat de gelauwerde onovertroffen is. Zo schreef de Zwanenjury over Kylián, dat „de choreograaf nog altijd niet aan kracht heeft ingeboet”. Sloom, maar hoe moet het anders? Harde bewijzen voor de jurykeuze bestaan niet. Elke nuance is aanleiding voor discussie, en die moet voorshands ondergraven worden. In de nominaties is ruimte voor de inventiviteit van de jury. Maar de genomineerden leggen het in negen van de tien gevallen af tegen de erkende grootheid.

Een oplossing zit in de samenstelling van de jury’s. Die moet origineel en gewichtig zijn, met autoriteiten wier oordeel ontzag inboezemt en, om het ons-kent-onseffect te blussen, met onverwachte leden van buiten het veld die nieuwsgierig zijn en nieuwsgierig maken. Met zo’n jury biedt een prijs automatisch prestige. De bekroonde hoeft dat dan niet zelf mee te brengen, die krijgt het erbij.