Het slopende gezinsleven van de kauw

Sinds 1965 heeft de Groningse universiteit een kauwenkolonie. Martijn Salomons onderzocht hoe het kauwen uit een groot nest vergaat, en hun ouders.

„Mijn record bloed afnemen bij kauwen is één minuut en 43 seconden.” Gedragsbioloog Martijn Salomons wijst trots omhoog naar de muur van het biologiegebouw in het Groningse Haren. Daar hangen 36 nestkasten voor kauwen. „Als ik zie dat een paartje kauwen hun kast in is gevlogen, doe ik gauw van afstand het luikje dicht. En dan moet ik rennen! Ladder tegen de muur, vogels in een vangkooitje en snel weer naar binnen. Het bloed moet binnen drie minuten worden afgenomen, anders verandert de hormoonspiegel in het bloed te veel door stress.”

Salomons promoveert morgen aan de Rijksuniversiteit Groningen. De bloedmonsters gebruikte hij voor zijn onderzoek. De promovendus wilde weten wat de invloed van nestgrootte is op de jongen zelf, en op de levensverwachting van het ouderpaar.

Al sinds 1965 onderzoeken Groningse biologen hun eigen vrij levende kolonie kauwen. Salomons werkt sinds 2000 met de kleine kraaiachtigen. „Ik vind ze slim en ook erg menselijk. Ze eigenen zich nestkasten toe, zijn trouw aan hun partner en kunnen erg jaloers zijn. Ze herkennen mensen, aan mij hebben ze een hekel. Ik heb er twee gehad die altijd op de dakgoot zaten te schreeuwen, als ik eraan kwam.”

Salomons onderzocht lengtes van telomeren, stukken DNA aan het eind van elk chromosoom die tijdens de celdeling tegen slijtage beschermen. Vorige week wonnen de ontdekkers ervan de Nobelprijs voor de geneeskunde.

Salomons wil met zijn onderzoek in de toekomst aantonen hoe het harde werk van kauwen met een groot nest de lengte van hun telomeren beïnvloedt. „Net als bij andere diersoorten, waaronder mensen, vinden we bij kauwen ook dat telomeren korter worden naarmate een individu ouder wordt. Het idee is dat je sneller aftakelt wanneer je harder werkt. En ouders met meer jongen moeten natuurlijk harder werken dan degene met minder jongen.” Het aantal jongen in een nest werd verhoogd of verlaagd door twee jongen naar een ander nest te verplaatsen. „Door bij dezelfde ouders het nest elk jaar te vergroten of te verkleinen, maximaliseren we het effect.”

Salomons ontdekte dat de lengte van de telomeren, maar vooral ook de snelheid waarmee deze korter worden, een voorspelling gaf over de kans dat een individu het volgende jaar in de kolonie terugkeerde. Het is de eerste keer dat zo’n verband in vrij levende dieren is aangetoond. Salomons: „De telomeerlengtes namen het meest af in het jaar voordat kauwen verdwenen. We denken dat ze dan dood gaan. ”

Telomeren worden korter door oxidatieve stress. Dat is een overschot aan vrije zuurstofradicalen in het bloed. Zuurstofradicalen komen vrij als je energie verbruikt en beschadigen alles wat ze in het lichaam tegenkomen.

Salomons doet zijn veldonderzoek van februari tot juni. Het broedseizoen van de kauwen begint rond de tweede week van april. Na achttien dagen komen de eieren uit en na dertig dagen vliegen de jongen uit. De ouders kiezen voor het broedseizoen een of meer nestkasten uit. Vooral de dominante kauwen reserveren meerdere kasten en vliegen continu heen en weer om ze te bewaken. Kauwen zijn bovendien erg honkvast. Salomons: „Er was een stel dat wel negen keer in kast 26 heeft gezeten.” Het aantal paartjes in de kauwenkolonie varieerde tussen vijftien en dertig.

De jongen werden op dag vijf naar een ander nest verplaatst. Salomons: „Ze hebben hun ogen dan nog dicht. De ouders vliegen weg als ik eraan kom. Ze laten hun jongen dus wel even alleen, ze komen daarna snel weer terug. Voor we de jongen verplaatsen, nemen we een klein bloedmonster om het geslacht te bepalen. We knippen een stukje uit een nagel om ze uit elkaar te houden. Vlak voor ze uitvliegen, worden ze geringd.”

Salomons: „Jongen uit een vergroot nest groeiden minder goed en waren lichter dan hun broertjes en zusjes uit een kleiner nest. Er waren verschillen in de aantallen rode en witte bloedcellen, in de mate van oxidatieve stress en in telomeerlengte. De verplaatste jongen deden het overigens niet slechter dan de andere jongen uit een vergroot nest. Ze werden gewoon door de ouders geaccepteerd.”

De effecten bleken te verschillen tussen zonen en dochters. Salomons: „De dochters blijven kleiner, de zonen hebben meer oxidatieve stress. We denken dat het voor een zoon belangrijker is om groot te zijn. Een klein mannetje zal moeilijker dominant kunnen worden.”

Salomons promotieonderzoek is te kort om de jongen de komende jaren te kunnen volgen en om de langetermijneffecten bij de ouders te kunnen zien. „Om veroudering goed te kunnen bestuderen, moeten individuen wel ouder worden. Het oudste dier dat ik in mijn handen heb gehad, werd wel veertien jaar oud.”

„Gemiddeld leven kauwen vijf tot zes jaar. Er zijn meerdere metingen nodig om de telomeerlengtes goed te kunnen vergelijken en om de afnamesnelheid uit te rekenen. Maar ja, bij mensen zou je wel tachtig jaar onderzoek moeten doen. Het kauwenonderzoek gaat gelukkig nog een tijdje door, er is al een nieuwe promovendus aangesteld.”