Het juiste of het verkeerde pad?

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Wekelijks feuilleton.

De laatste keer dat ik mijn ruitjespak aanhad, was toen ik ging schuifelen met Jolanda in het jeugdhonk. Vandaag kon ik het pak weer uit de kast halen. Opnieuw was er een belangrijke dag aangebroken: ik zou Jolanda’s ouders ontmoeten.

De vader van Kemal de Turk was barbier in Turkije. Van hem had Kemal alle scheer- en kniptechnieken geleerd, en die had hij vandaag op mij toegepast. Met een dikke kwast had hij mijn gezicht ingezeept, waarna hij mijn wangen kaal schraapte met een langwerpig, vlijmscherp scheermes. De wondjes op mijn gezicht schroeide hij dicht met een brok aluin. Toen knipte hij mijn haren in een kapsel dat ik in een nette scheiding kon kammen. De overtollige haartjes op mijn oren brandde hij weg met een brandend wattenstaafje. De neushaartjes knipte hij behendig met een fijn schaartje weg.

„En nu special, abe”, zei Kemal. Hij vulde de kom van zijn hand met een gifgroene vloeistof en smeet die op mijn gezicht. Het was alsof mijn huid in brand vloog. Ik wilde opspringen en het uitschreeuwen, maar Kemal hield mij met zijn grote klauwen in bedwang en smeerde de aftershave over mijn gezicht.

„Wacht, wacht”, hijgde hij. „Nog massage doen.” Hij kneedde en bewerkte mijn hoofd, en gaf ter afronding een klap in mijn nek. „Nu jij naar vader en moeder van Jolanda gaan.”

Ik zag er spic en span uit en was klaar om de deur uit te gaan. Mijn neef Mustapha had mij tijdens de knip- en scheerbehandeling vanuit een hoek gadegeslagen. Hij had niets gezegd. Pas toen ik mijn jas aandeed en diep zuchtte, deed hij zijn mond open: „Wees niet bang, Driss, het zijn maar mensen”, zei hij. „Mochten ze je het huis uitrappen, dan kun je nog altijd met mijn zusje Rqia trouwen.”

Ik liep met een bos bloemen naar Jolanda’s huis, in het oude deel van IJmuiden. De straat bestond uit rijtjeshuizen. Een warme gloed scheen uit de ramen. Overal zaten de gezinnen bijeen om de eettafel of in de huiskamer voor de televisie. Zo meteen zou ik bij zo’n gezin binnentreden. Jolanda had mij van tevoren verteld dat ik mij nergens druk om hoefde te maken. Haar ouders waren de liefste mensen en waren razend benieuwd naar mij. Maar toch, terwijl ik voor haar deur stond, sloeg de twijfel in alle hevigheid toe.

„Keer terug naar het juiste pad, broertje. Keer terug voordat het te laat is”, klonk het in mijn hoofd. Dit was het laatste wat mijn broer Moha tegen mij zei voordat hij met ruzie vertrok. Opeens wist ik niet meer welk pad ik bewandelde, het juiste of het verkeerde. De twijfel werd paniek. Haastig liep ik naar de haven. Ik wilde in een vertrouwde omgeving zijn.

Ik ging op een bankje zitten en keek naar de dobberende schepen. Weer vroeg ik mij af of ik wel goed bezig was. Hier in de haven werd ik verliefd op Jolanda. Met haar wilde ik trouwen. Maar nu deze droom heel dichtbij kwam, werd ik bang.

Haar ouders waren ongetwijfeld lieve mensen en ze zouden mij vast haar hand geven. Maar wat betekende dat, om opgenomen te worden in een Nederlandse familie? Zou ik in dat geval wel een Tafersiti blijven? Was ik niet te naïef? Ik kon geen antwoord bedenken op deze kwellende vragen. Zelfs niet na een half uur te hebben doorgebracht in de haven. Het enige dat ik wist, was dat Jolanda en haar ouders op mij aan het wachten waren.

Driss Tafersiti