Feyenoord moet nieuwe stadion zelf financieren

Feyenoord moet een nieuw stadion in Rotterdam-Zuid financieren met behulp van marktpartijen en hoeft niet te rekenen op een blanco cheque van het stadsbestuur. Bovendien eist de gemeenteraad dat de voetbalclub snel duidelijkheid verschaft over de financiële onderbouwing van het beoogde onderkomen (80.000 toeschouwers) van de finale van het WK voetbal in 2018. Dat bleek gisteren tijdens een commissievergadering op het stadhuis.

Tot ongenoegen van een raadsmeerderheid heeft de stadiondirectie nog altijd geen ‘businesscase’ laten zien. Daardoor dreigt de voorgenomen grootschalige herinrichting van het gebied – Stadionpark – pal langs de Nieuwe Maas vertraging op te lopen. Wel heeft Feyenoord laten doorschemeren dat een bijdrage van de gemeente onontbeerlijk is. Daarbij wordt gedacht aan een bedrag van 200 miljoen euro: ongeveer eenderde van het geschatte investeringsbedrag voor de opvolger van de Kuip.

Zowel de raad als het stadsbestuur meent dat de gemeente met de voorgenomen investeringen in de infrastructuur (metro, parkeerplaatsen, toegangswegen) de club al ruimschoots tegemoet komt. „Geen cent publiek geld in een commerciële onderneming”, zei Arno Bonte van coalitiepartij GroenLinks gisteren.

Financiële steun aan een betaaldvoetbalorganisatie is tijdens een recessie niet aan burgers uit te leggen, meent ook wethouder Peter Lamers (sport en onderwijs, CDA). „Het voetbal doet soms alsof de financiële crisis niet bestaat.” Een nieuw stadion heeft volgens Lamers alleen overlevingskansen als het armlastige Feyenoord (schuld 21 miljoen euro) zelf weer financieel gezond is.

De Rotterdamse raad voelt zich ook opgejaagd door de lobby om het WK van 2018 naar Nederland te halen. Zonder het nieuwe onderkomen van Feyenoord is die missie tot mislukken gedoemd. „Lukt het niet, jammer dan, er komen meer WK’s”, aldus VVD’er Kees de Gruiter.

Stadiondirecteur Jan van Merwijk zegt dat de businesscase „vrijwel afgerond” is. Nog deze maand hoopt hij het stadsbestuur te kunnen informeren. „Wat wij vragen en wat wij willen, hoort u later.”