'Economie is voortzetting van alchemie met andere middelen'

Goethe was minister van Financiën, kende de leidende economen van zijn tijd. Zijn ‘Faust II’ is een sleuteltekst voor de kredietcrisis, zegt de Zwitserse econoom Hans Christoph Binswanger.

De wereldliteratuur wemelt van de werken die de financiële crises van hun tijd weerspiegelen. Denk aan L’argent (1891) van Émile Zola of Brightness Falls (1991) van Jay McInerney. Maar er is er één waaruit zelfs lessen voor de huidige crisis kunnen worden getrokken: Goethes Faust.

Tenminste, dat stelt de Zwitserse econoom Hans Christoph Binswanger (80). Een kwart eeuw geleden analyseerde hij in Geld und Magie de moderne economie. Hij deed dat aan de hand van de twee toneelstukken die Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) schreef over de zestiende-eeuwse alchemist die in ruil voor almacht zijn ziel aan de duivel verkocht. Binswanger richt zich vooral op de geldschepping die plaatsheeft in het eerste bedrijf van Faust II , waarin de titelheld aan het hof van de Duitse keizer verblijft. Om de bankroete keizer van nieuwe financiën te voorzien, laat de duivel, Mephistopheles, papiergeld drukken met diens handtekening. Onderpand zijn de rijkdommen die zich ongedolven onder de grond van het keizerrijk bevinden. Zo wordt iets zonder intrinsieke waarde veranderd in een betaalmiddel, een stimulans voor de economie. In de woorden van Binswanger: „Economie is de voortzetting van de alchemie met andere middelen.”

Het onlangs herdrukte Geld und Magie begint met de zin dat vooral Faust II „van een nauwelijks te vatten actualiteit” is, omdat Goethe in het begin van de 19de eeuw voorzag waar we tegenwoordig allemaal van overtuigd zijn, namelijk dat de groei van economie de belangrijkste graadmeter voor de ontwikkeling van de mensheid is. In 1995, toen Binswangers boek in een Engelse vertaling verscheen, hoefde hij de eerste zin niet aan te passen, en sindsdien is zijn analyse van Faust alleen maar actueler geworden. „Juist in tijden van kredietcrises”, licht Binswanger toe in een gesprek in zijn woonplaats Sankt Gallen, „is Goethes meesterwerk een sleuteltekst.”

De hoogbejaarde emeritus hoogleraar woont dichtbij de universiteit van Sankt Gallen, waaraan hij als stichter van het Instituut voor Economie en Ecologie jarenlang verbonden was. In zijn sober ingerichte chalet ontvangt hij zijn bezoek met witte vermouth en Gallener kersentaart en vertelt hij hoe hij zijn liefde voor Goethes Faust, opgedaan op het gymnasium van Zürich, wist te verenigen met zijn studie economie.

„Het idee voor Geld und Magie kreeg ik toen ik in een boek over economische theorie las over John Law, een Schotse bankier die door middel van de uitgifte van papiergeld de financiën van vroeg-achttiende-eeuws Frankrijk wist te saneren. Toen de Prins van Orléans, regent van Lodewijk XV, met hem in zee ging, ontsloeg hij onmiddellijk alle alchemisten aan het hof. Kennelijk zag hij economische experimenten als een goed alternatief voor alchemie.

„Toen ik vervolgens de Brockhaus-encyclopedie bestudeerde, bleek dat de klassieke alchemie twee doelen had: het brouwen van de drank die je het eeuwige leven gaf – el-ixir in het Arabisch – en het veranderen van onedele metalen in goud. Die twee dingen zie je terug in Faust. In deel één draait het om de verjonging van Faust, die daartoe zelfs een drankje drinkt; in deel twee wordt geld gemaakt van op zichzelf waardeloos papier.”

Zou Goethe het zo bedoeld hebben? Binswanger twijfelt er niet aan. „Goethe wilde nooit veel over zijn werk zeggen, dat liet hij aan anderen over. Maar hij was een homo economicus, niet alleen in de praktijk, als minister [van Financiën en Economie] van de hertog van Weimar, maar ook in zijn literaire werk. Hij was goed op de hoogte van de economische theorieën van zijn tijd en baseerde zich voor Faust II op de geschiedenis van de Banque Royale van John Law en de vergelijkbare stichting van de Bank of England door een andere Schot, William Paterson.

„Goethe had heel goed door dat de Weltgeschichte door de Geldgeschichte bepaald wordt; beter dan sommige moderne wetenschappers, die nog steeds denken dat geld een sluier is die je gewoon weg kunt halen, dat het de economie niet wezenlijk beïnvloedt. Maar die tijd is lang voorbij, we leven niet meer in een boerenruileconomie, en je hoeft maar naar de kredietcrisis te kijken om te zien hoe groot de invloed van geld en dus geldschepping op de economie is.

„In de alchemie was de Steen der Wijzen het middel om van lood goud te maken. In Faust II fungeert het kapitaal op zijn beurt als Steen der Wijzen. Geldschöpfung wird zum Wertschöpfung. Faust investeert het papiergeld dat hij van de keizer krijgt; hij gebruikt het voor landaanwinning en zwengelt daarmee de economie aan. Op die manier logenstraft hij de verwachting van Mephistopheles dat het uitgeven van papiergeld tot inflatie en uiteindelijk chaos zal leiden. Daar zitten ook de lessen voor de huidige crisis in. Monetaire financiering is prima, maar ze moet leiden tot Wertschöpfung, je moet ervoor waken dat het geld in gebakken lucht, zoals te hoog gewaardeerde aandelen, geïnvesteerd wordt. En de staat moet strenge controle houden op de banken, die zich met de geldschepping bezighouden.”

Freischwebend zijn Binswangers literair-economische ideeën niet. Een van de mensen die bij hem promoveerden toen hij nog hoogleraar monetaire economie was, is Josef Ackermann, de huidige topman van Deutsche Bank. Uit een interview met de twee economen deze zomer in de Frankfurter Allgemeine Zeitung blijkt dat de meester en zijn leerling het helemaal eens zijn over de taken van de centrale bank in de komende jaren. Maar ook de lessen uit Goethes Faust hebben Binswangers aandacht. Hij heeft net de laatste hand gelegd aan een nieuw boek, Vorwärts zur Mässigung, waarin hij waarschuwt tegen wat hij ‘onze faustiaanse economie’ noemt.

Binswanger: „Faust wedt met Mephistopheles dat die hem nooit tevreden zal kunnen stellen, dat er nooit een moment zal komen dat hem verleidt tot de uitspraak ‘Verweile doch, du bist so schön.’ In zekere zin heeft hij het hier over de dynamiek van het kapitalisme. Onze economie heeft geen einddoel, wij zijn er nooit klaar mee; we zullen het geluk nooit hebben, omdat dat besloten ligt in de ononderbroken vooruitgang. Maar dat laatste is een illusie. De technologische vooruitgang en het ongebreidelde verbruik van grondstoffen die daarvoor nodig zijn, vormen een bedreiging voor de mens. Wij zijn als Faust die erachter komt dat hij over lijken is gegaan om zijn economische project te verwezenlijken. Maar meer nog lijken we op die andere Goethe-held, de Tovenaarsleerling – we hebben krachten opgeroepen die we niet kunnen beheersen.”

Moeten we Faust II lezen als een ecologisch handvest avant la lettre? Nee, zegt Binswanger. „Ecologische kwesties worden door Goethe niet aan de orde gesteld, hoewel hij als minister wel heeft geschreven over de ongunstige gevolgen van de indijking van moerasgebieden. Je kunt je afvragen of je Faust moet opvatten als een profetie of een waarschuwing, maar Goethe geeft daar geen aanwijzing voor. Soms ben ik geneigd te denken dat hij een pessimist was, maar dan lees ik weer een vers dat van geloof in de mensheid getuigt: ‘Nur der verdient sich Freiheit wie das Leben, der täglich sie erobern muss.’ We zijn vrij om Faust op te vatten zoals we dat willen.”

Hans Christoph Binswanger: Geld und Magie. Eine ökonomische Deutung von Goethes ’Faust’. Murmann Verlag, 168 blz. € 19,90.

Het dubbelinterview met Binswanger en Ackermann is te lezen via www.faz.net