'Debat over veiligheid krijgt een te zwaar technologisch stempel'

Over veiligheid wordt te veel in technologische en militaristische termen gedacht. ‘Alsof Europa in een egelstelling moet kruipen en zichzelf moet afsluiten.’

Het debat over openbare orde en veiligheid heeft een te zwaar technologisch stempel gekregen, vindt Cyrille Fijnaut, hoogleraar internationaal vergelijkend strafrecht in Tilburg. „Ik heb een groot probleem met de militarisering van het denken hierover.”

Fijnaut, expert op het gebied van de internationale georganiseerde misdaad, hekelt de manier waarop „de veiligheidsindustrie, vaak van militaire origine” binnen Europa het debat over veiligheid domineert. „Daarmee wordt een bepaalde toon gezet. Alsof we in een egelstelling moeten kruipen en onszelf moeten afgrendelen. Met die gedachte, die ook leidt tot allerlei technologische identificatiemethodes, worden fortuinen verdiend. De ideeën daarachter zijn gebaseerd op het typisch Amerikaanse gedachte dat technologie ons kan redden. In de Europese blik wordt technologie minder absoluut benaderd: als ondersteuning van een brede strategie, en niet als de strategie zelf.”

Wat Fijnaut stoort, is de suggestie dat de Europese Unie vooral van buiten af wordt bedreigd. Dat idee komt uit de terreurbestrijding, maar sijpelt door als het in het veiligheidsbeleid over de georganiseerde misdaad gaat. „Alsof er binnen de EU geen problemen zijn. Bovendien zijn we deel van het probleem. Neem de vrouwenhandel. Dat is niet alleen een probleem van Midden-Amerika of Oost-Europa. Dat we hier grootschalige prostitutie accepteren, heeft een enorme aanzuigende werking. Bovendien exporteren we een hoop ellende, of het nu verdovende middelen zijn of afval.”

Heeft u ook bezwaren tegen de koppeling van de databases van de lidstaten?

„Integendeel. In de strijd tegen georganiseerde misdaad moet je samenwerken. Bendes opereren ook over de grenzen heen. Het is heel belangrijk om de infrastructuur van politie en justitie die de opsporing ondersteunt, te harmoniseren. Dat leidt waarschijnlijk ook tot betere systemen. We hebben dat gezien met het Schengen-akkoord over het vrije verkeer van personen. Landen mochten alleen lid worden als ze hun wapenwetgeving aanpasten, als ze het verdrag van 1981 op de gegevensbescherming doorvoerden in hun systemen. Dat heeft geleid tot een verhoogde bescherming van de persoonsgegevens. Op dezelfde manier zal harmonisering van de technische infrastructuur tot verbeteringen leiden. Landen die hoge normen hebben over de opslag van DNA, zullen die niet laten zakken, maar juist de algemene norm omhoog trekken.”

U ziet daarom weinig risico’s?

„Ik zie wel risico’s, maar ik ben niet benauwd voor monsters. De Europese Commissie heeft met het plan gespeeld om ergens een monstrueuze Brusselse database te bouwen. Maar dat idee is verlaten. De technologische ontwikkelingen maken andere oplossingen mogelijk, voortgaan op de weg van Schengen. Je krijgt nationale databases. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de kwaliteitscontrole, voor wat ze invoeren. Doordat daartussen een knooppunt wordt gemaakt, zal de kwaliteit van het opsporingsbeleid binnen Europa sterk verbeteren.”

Er is ook wel gesuggereerd dat voor effectievere strijd tegen de georganiseerde misdaad harmonisatie van het strafrecht nodig is.

„Het belang daarvan wordt zwaar overdreven. Ik heb veel onderzoek gedaan naar bestrijding van de misdaad in grensstreken, waarbij Nederland, België en Duitsland moesten samenwerken. Dan blijkt dat het belangrijkste voor effectieve samenwerking is dat je het met elkaar eens wordt over de prioriteiten. Vinden we het allemaal een belangrijk probleem? En het tweede punt: zijn we ook bereid daar de middelen voor uit te trekken, in de vorm van geld en mankracht. Prioriteit en capaciteit, daar gaat het om. Dat de organisatie van politie en justitie in landen verschilt, is niet het werkelijke knelpunt.”

Waarschijnlijk wordt op korte termijn het Verdrag van Lissabon van kracht. U heeft in het ‘Nederlands Juristenblad’ geschreven dat dit voor het veiligheidsbeleid „een Copernicaanse revolutie” zal zijn. Waarom?

„Er komen een paar ingrijpende veranderingen. Besluiten hoeven niet langer met unanimiteit te worden genomen. Tot nu toe was het zo, dat een land altijd op de rem kon trappen, zodat er minder gebeurde dan je zou willen. Nu kun je beter en sneller beleid formuleren voor de problemen waarvan de lidstaten erkennen dat ze te groot zijn om apart aan te pakken. Denk aan drugs- en wapenhandel, vrouwensmokkel, terrorisme.

„Bovendien kan de Europese Raad, waarin de regeringen van de lidstaten samenwerken, strategische en operationele richtlijnen geven en kan de Europese Commissie evaluaties uitvoeren om te zien wat lidstaten daarvan terechtbrengen. Zo komt er meer druk op de lidstaten om de uitvoering niet te laten slabakken. Je krijgt daardoor binnen de Europese Unie meer eenheid in het veiligheidsbeleid. Dit is absoluut geen stap in de richting van een federale structuur, en dat is ook helemaal niet nodig. Maar die operationele richtlijnen en de evaluatie daarvan gaan wel veel verder dan wat tot nu toe mogelijk was.”