Wijzen met die vinger

Door de economische crisis lopen de tekorten van Europese overheden heel snel op.

Elk land zoekt daar zijn eigen oplossingen voor – of stelt die gewoon nog even uit.

„Op deze dia ziet u hoe lang het duurt voor mijn land de huidige staatsschuld heeft teruggebracht tot het niveau van vóór de crisis.”

Lunchtijd, een paar weken geleden. Een hoge functionaris van het ministerie van Financiën van een Europees land hield, bij een broodje kaas, een presentatie voor een groepje ambtenaren. Zijn boodschap was dat het zeker tot 2025 of 2030 duurt voor de schuldenlast weer op het niveau van 2006 is beland. „En dan gaan we ervan uit dat we vanaf volgend jaar weer economische groei meemaken. Wat niet zeker is.”

Door de economische crisis krimpen de economieën. Overheden lopen belastinginkomsten mis, geven meer geld uit aan stimuleringsmaatregelen en werkloosheidsuitkeringen en hebben vaak miljarden in banken gestoken. Vandaar dat twintig van de 27 EU-landen begrotingstekorten hebben die hoger zijn dan 3 procent van hun bruto binnenlands product, de limiet uit het Stabiliteits- en Groeipact dat de euro stabiel moet houden.

Nederland is niet het enige EU-land waar in het parlement en in de media felle debatten woeden over de vraag: hoeveel bezuinigen we, waarop en wanneer? Ook andere Europese landen worstelen met deze vragen. Ieder op zijn eigen manier, dat wel.

Neem Griekenland. Het begrotingstekort is daar opgelopen tot ruim 8 procent, de staatsschuld is procentueel de hoogste van de EU, op die van Italië na. De socialisten, die na de verkiezingen weer aan de macht zijn in Griekenland, willen echter pas later bezuinigen. In Frankrijk, dat het pact nooit als heilig heeft gezien, zijn belastingverlagingen voor bedrijven aangekondigd en komen er miljardeninvesteringen in infrastructuur. Het Franse begrotingstekort stijgt daardoor naar 8,2 procent.

In Duitsland heeft de nieuwe centrum-rechtse regering belastingverlaging beloofd. Toch wil Berlijn, dat het pact wel serieus neemt, het begrotingstekort niet verder laten oplopen dan de 3,7 procent nu. In Spanje, waar de regering na de ineenstorting van de huizenmarkt als eerste in Europa met stimuleringsmaatregelen begon, werden juist belastingverhogingen aangekondigd. Echte leiders, zei premier Zapatero, „doen dit soort dingen als het nodig is”.

Elk land zoekt zijn eigen oplossingen. Maar Europa is een grote markt. Als de reflexen niet gekanaliseerd worden, benadeelt het ene land het andere of ontstaan wedlopen. Daarom is het beter als stimuleringsprogramma’s tegelijk worden afgebouwd en dat overheden zich min of meer synchroon uit genationaliseerde banken terugtrekken. En na fiscale hervormingen volgen monetaire hervormingen. De centrale banken knijpen de extra geldstroom in de financiële sector langzaam af en verhogen de rente. Ook dat moet centraal, vanwege de landen die de euro delen.

In Göteborg kregen de ministers een rapport over zo’n gezamenlijke exitstrategie. Maar, staat daarin, „de exit is moeilijk te vinden”. Voorlopig lijkt iedereen het erover eens dat het te vroeg is. Het economisch herstel is te pril en tekent zich niet in alle landen af. Nu stoppen met stimuleren en keihard bezuinigen, is vragen om nóg een crisis. „Het kan catastrofaal zijn nu begrotingstekorten terug te brengen”, zegt co-auteur Jakob von Weizsacker van het rapport.

Als hoeder van het pact heeft de Europese Commissie tegen twintig EU-landen die over de 3 procent heengingen, een tekortprocedure aangespannen. De één krijgt tot 2011 om het tekort terug te dringen, anderen tot 2012 of 2013. Dat zijn extra soepele termijnen, vanwege de crisis. „Of zelfs die haalbaar zijn, is onduidelijk. Hoe hoog de staatsschulden oplopen na dat kennelijk vogelvrije jaar 2010, evenmin”, zegt Carsten Brzeski, ING-econoom in Brussel.

De gevolgen voor de euro overziet niemand. Toch komt er een punt waarop de commissie streng moet zijn, anders stelt het pact weinig voor. Of ze dat kan, en of landen zich daar wat van aantrekken, is vers twee. De Franse minister Christine Lagarde stelt haar collega’s geregeld voor het pact te versoepelen en landen vrijer te laten. Duitsland wil dat niet. Toen beide landen te hoge begrotingstekorten hadden in 2003, drukten zij samen zo’n versoepeling erdoor. Kleine landen als Nederland konden dat niet tegenhouden. Als Frankrijk nu het pact negeert en Duitsland niet, veroorzaakt dat spanningen. Maar dat is voor later, al maakt het maakt de context van de sombere dia’s van de ambtenaar er niet vrolijker op.