Voorbeeld Duitsland

Toen het verkiezingstijd was in Duitsland, gold in ons land als collectief oordeel dat het nogal oninteressant was en – erger nog – saai. Veel aandacht was er niet voor bij onze elektronische media, behoudens wat toegewijde plichtmatigheid. Dat Duitse politici welsprekend en ter zake kundig met elkaar debatteerden, kon de toevallige bezoeker van een Duits televisienet weliswaar met eigen ogen aanschouwen. Maar ach, dat was nou juist zo saai.

Rond de verkiezingen kantelde het beeld, weliswaar in kleine kring, maar toch. Wat een aangenaam land eigenlijk, dat Duitsland, waar zelfs midden in een economische crisis nog verkiezingen mogelijk waren zonder die amusementscocktail van belediging, provocatie en racisme waar ons vaderland zich voor warm loopt. Vrij Nederland wijdde net voor de verkiezingen zelfs een grote reportage aan de vraag wat ze daar in Duitsland wel niet moesten denken van Nederland, waar zoveel mensen hun kaarten hebben gezet op een blonde verlosser die in een groot EU-land nota bene persona non grata is? Het antwoord van Duitse zijde liet zich raden, voor zover natuurlijk Duitsers zich überhaupt met Nederland bezig houden: uw land is behoorlijk in de war.

In landen als Frankrijk en Groot-Brittannië bekeek men de Duitse taferelen vanuit hun eigen perspectief. Fransen zien politiek graag als een spel vol slinkse politieke handigheden. Zou Angela Merkel met haar gematigde middenkoers van de laatste vier jaren gewoon een tactisch spelletje hebben gespeeld? Zal de ware Merkel zich nu kunnen ontpoppen als een IJzeren Dame? Met een paar harde, pijnlijke ingrepen onmiddellijk na het begin van de nieuwe liberaal-conservatieve regering?

Iets vergelijkbaars zie je in Engeland, waar de Duitse coalitie van christen-democraten en sociaal-democraten van de afgelopen vier jaren sowieso als een bizarre combinatie gold. Ook daar wordt gespeculeerd op een Duitse metamorfose. Het feit dat de grote winnaar, de liberaal Guido Westerwelle, in het feestgedruis van de Berlijnse verkiezingavond weigerde een vraag van een BBC-verslaggever in het Engels te beantwoorden – geef hem eens ongelijk – duidde The Independent als volgt: „Als zoiets gebeurt met een man die waarschijnlijk minister van Buitenlandse Zaken wordt, dan is dit een veelzeggend voorproefje van Teutoonse geldingsdrang in internationale aangelegenheden.”

De Duitse werkelijkheid is prozaïscher én interessanter dan zulke kortstondige momenten van betrekkelijk luie en clichématige aandacht onthullen. Ten eerste verandert er niet zoveel. Duitse christen-democraten vormen een echte middenpartij. Van reiskostenforfait tot kinderaftrek dwarrelen in de nu lopende coalitiebesprekingen met de FDP de compromissen uit de partijcentrale naar beneden, die stuk voor stuk het beeld van een middenkoers bevestigen. En ook de FDP is moderner dan de vroegere clientèle van middenstanders, artsen en advocaten suggereert. Anders valt ook niet te verklaren waarom te midden van de ineenstorting van het neoliberalisme in de westerse wereld uitgerekend in Duitsland een liberale partij als grote triomfator tevoorschijn komt.

Je kunt nog een stap verder gaan. Regeringen lijken steeds meer op een soort garage: ze repareren dingen die kapot gaan. Ze grijpen in als banken niet meer zelf verder kunnen, ze komen in actie wanneer het milieu wordt aangetast, als iedereen steen en been klaagt over de kinderopvang, et cetera. Regeringen regisseren niet. Dat doen anderen: de markt, de managers, de instanties, de globalisering zijn allemaal vormgevende krachten. Dat is een logica die niet ter discussie staat en politiek bevindt zich derhalve per definitie in de rol van corrigeren, bijsturen, pappen en nathouden. Een totaal nietszeggende verkiezingsslogan als die van de CDU krijgt dan plotseling betekenis: Wir haben die Kraft. Er is inderdaad kracht nodig om iedere keer weer als een wegenwacht uit te rukken wanneer ergens iemand met pech stilstaat.

In feite hebben de grote partijen, aldus de politicoloog Colin Crouch (auteur van het boek Post-Democracy), allemaal hetzelfde programma, namelijk een programma van aanpassing aan de omstandigheden. De omstandigheden zelf zijn een gegeven. Het idee dat overheden en daarachter een electoraat omstandigheden zelf kunnen vormgeven, is ergens onderweg in de loop van de twintigste eeuw gesneuveld. Yes, we can dus als een groot misverstand of anders ten minste een schromelijke overdrijving.

Het adagium van de aanpassing verklaart in elk geval vele ongerijmdheden. Hoe konden uitgerekend onder Labour in Groot-Brittannië de inkomens- en vermogensverschillen zo groot worden als nooit tevoren sinds de statistieken het bijhouden? Hoe kon uitgerekend onder Labour het land zo ‘abramovitseren’ – met fiscale douceurtjes voor iedereen in de wereld die in weelde baadt? Hoe konden uitgerekend de sociaal-democraten de hardste ingreep in de geschiedenis van de Duitse verzorgingsstaat – Harz IV genaamd – doorvoeren?

En zo past de nieuwe Duitse regering zich opnieuw aan de omstandigheden aan. Praatjes over een IJzeren Dame en een ruk naar rechts is retoriek uit een voorbij tijdperk, het zijn woorden van vroeger. Niet de vormgeving maar de aanpassing regeert nu.

Zoiets is niet vrijblijvend. Je bent al snel bij de vraag waar partijen nog voor nodig zijn behalve dan als rekruteringsmachine voor bestuurlijk personeel. En kiezers zullen partijen steeds minder vertrouwen want de retorische illusies en de feitelijke praktijk groeien steeds verder van elkaar weg.

Angela Merkel heeft niet het charisma van diverse collega’s in de wereld. Yes we can uit haar mond zou niet klinken – gewoon omdat ze daar te verstandig, of liever: te verstandelijk voor is. Ze sublimeert in zekere zin het postdemocratische proces van de politiek als permanente aanpassing.

Reageren kan op nrc.nl/knapen (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)