Vmbo geeft de problemen door aan het mbo

Al tien jaar zitten op het vmbo veel moeilijke leerlingen. Stromen ze door naar het mbo dan nemen ze de moeilijkheden mee, want echt hogerop komen ze niet, betoogt Anja Vink.

Zestig procent van de leerlingen zit in het vmbo, zegt men. En met het beeld dat de media van het vmbo schetsten zouden de media geen recht aan deze grote groep leerlingen doen. Echter, binnen het vmbo is een categorie scholen waar de problemen de pan uit rijzen. Dat zijn meestal de vmbo-scholen met een meerderheid van leerlingen in het zogeheten leerweg ondersteunende onderwijs, het lwoo.

Tien jaar geleden voerde staatssecretaris Tineke Netelenbos (Onderwijs, PvdA) met harde hand het vmbo in. Maar hoe vreselijke deze mevrouw ook was, helemaal alleen haar de schuld geven kan niet. Het begon namelijk al in de jaren ’90 toen het bedrijfsleven klaagde over het niveau van het toenmalige lagerberoepsonderwijs: de voormalige lts, lhno, leao. De lbo-leerlingen konden wellicht wel een spijker in een plank slaan en een pan op het vuur zetten, maar de basiskennis voor een snel veranderende kennissamenleving ontbrak volgens de werkgevers.

Waar je vroeger met een lts-diploma aardig aan een auto kon sleutelen, is nu een mbo-niveau 4 opleiding nodig om met de computerapparatuur te kunnen werken die nodig is om een auto te kunnen repareren. De toenmalige mavo-leerling had wel de basiskennis in huis, maar die had in al die vier jaar geen hamer in zijn hand gehad of een deksel van een pan opgetild. De een moest dus meer theorie en de ander meer praktijk.

Alle politieke partijen waren het daarmee eens. En zo werd een ingewikkeld gebouw opgetuigd van verschillende beroepswegen. Echter, in de slipstream van die invoering deed Netelenbos iets wat we haar met terugwerkende kracht wél kwalijk mogen nemen. Ze duwde als bezuinigingsmaatregel een deel van de leerlingen uit het speciaal voortgezet onderwijs het vmbo binnen. Het zijn déze leerlingen die een lwoo-indicatie kregen. Ze hebben bijna allemaal een leerachterstand van minimaal twee jaar, hebben meestal geen Citotoets gemaakt en gemotiveerd zijn ze ook niet echt te noemen. De meeste van deze leerlingen zijn zogeheten achterstandsleerlingen of ze nu een kleurtje hebben of niet. De scholen met een meerderheid aan deze leerlingen staan in Rotterdam, Steenwijk of Utrecht. Veel van deze leerlingen vallen tussentijds tussen vmbo en mbo uit en gaan tot dat leger voortijdige schoolverlaters behoren.

Hét vmbo bestaat trouwens ook niet. Het onderscheid van voor het vmbo bestaat nog steeds. Wat vroeger een lts, lhno of leao was, is dat eigenlijk nog steeds. Vaak zijn de toenmalige lbo-scholen met een slechte naam gewoon een vmbo met een slecht naam geworden. De mavo’s haalden niet eens het bord van de gevel. En dat legde ze geen windeieren: de leerlingenstroom is niet te houden.

Zestig procent van de leerlingen zit in het vmbo, zegt men. Maar misschien zeggen deze cijfers meer: ondertussen is 53 procent van de leerlingen een vmbo-leerling. 31 procent van deze vmbo-leerlingen gaat naar het vmbo-t (theoretische leerweg). Vaak op een categorale mavo of een mavo-afdeling bij een havo/vwo-school. Daar krijgen ze overigens nog steeds geen praktijklessen. Slechts 35 procent van de leerlingen gaat dus naar de onderste regionen, het basisberoeps, het kader en gemengde leerweg van het vmbo.

Nóg een akelig cijfer: meer dan tien procent van de 900.000 leerlingen in het hele voortgezet onderwijs zit in het lwoo. Hun aantal is de laatste zes jaren gegroeid van 90.000 naar 100.000. In de theoretisch leerweg gaat het om vijf procent, om meer dan een kwart van de leerlingen in het kader leerweg, maar in het basisberoeps gaat het om zestig procent van de leerlingen.

Onlangs kwam uit onderzoek van de Inspectie naar voren dat deze leerlingen niet de begeleiding krijgen die ze nodig hebben. En dat velen van hen onterecht in het lwoo zitten doordat de basisschool in gebreke bleef. Fijne conclusie na tien jaar vmbo.

Maar het ministerie van Onderwijs heeft zelf het hardst meegedaan aan dat negatieve beeld van het vmbo. Ze heeft het diploma vmbo zelf gedevalueerd. Met een diploma vmbo ben je volgens dat ministerie nog steeds een voortijdig schoolverlater. Het vmbo-diploma is dus tegenwoordig niet voldoende om goed toegerust de arbeidsmarkt op te gaan. Daarvoor is, zo zegt het ministerie, minimaal een mbo niveau 2-opleiding nodig. En deze zomer haalde CDA-staatssecretaris Marja van Bijsterveldt ook daar weer een streep door: niveau 1 en 2 van het mbo heten nu funderend beroepsonderwijs en alleen niveau 3 en 4 mag mbo heten. Reden: de niveau 1- en 2-leerlingen voldeden niet aan de verwachtingen van de werkgevers. Waar heb ik dat eerder gehoord? Was dat niet de reden waarom het vmbo werd ingevoerd?

De vraag is dan ook: wat zijn we in die tien jaar opgeschoten? Er is niets veranderd: we hebben het probleem, die moeilijke leerlingen die we concentreren in moeilijke scholen, aan het mbo doorgegeven.

Anja Vink is journalist.