Toch moeten ook de gevolgen onder ogen worden gezien

Steeds meer Afghaanse burgers komen om in de oorlog, de meesten zijn slachtoffer van de Talibaan.

Maar honderden sterven door westers vuur.

Ghulam Yahya, Talibaancommandant in de Afghaanse provincie Herat, beheerst het hele scala aan terroristische gruwelen. Hij gaf opdracht tot de bomaanslag die in augustus tien levens eiste op een markt in de stad Herat. Hij schiet regelmatig met raketten op het vliegveld. Vorig jaar nam hij dagen de tijd om een 19-jarige jongen dood te martelen omdat diens vader, een openbaar aanklager, hem jaren geleden had vervolgd. Hij eiste losgeld terwijl de jongen al dood was. Later vermoordde hij de herder die het gedumpte lijk had gevonden.

Tot een jaar of twee geleden was de provincie Herat een van de veiligste van Afghanistan. De goede wegen en aangeharkte parken in de hoofdstad wekken nog altijd die indruk, maar inwoners wijzen nu op de toenemende wetteloosheid, vooral in de vorm van ontvoeringen. Al direct buiten de stad beginnen de gebieden die voor buitenlanders te gevaarlijk zijn geworden om zonder gewapende beveiliging te bezoeken. Daartoe hoort het district Guzara, waar Ghulam Yahya heer en meester is.

Op 17 februari deden de Amerikanen een poging om hem te doden, met twee precisiebommen op twee geparkeerde auto’s in een kamp van Kuchi’s – nomaden die bestaan van hun schapen en kamelen. Inlichtingenbronnen hadden gemeld dat Ghulam Yahya in het kamp zou zijn. Maar hij was er niet, en in zijn plaats vonden dertien onschuldige burgers de dood.

Het bombardement op de Kuchi’s lijkt een willekeurig incident. Maar juist de burgerdoden vergroten het controversiële karakter van de strijd tussen de westerse troepen en de Talibaan. Naarmate de oorlog verhevigde, steeg het aantal burgerdoden en daarmee de woede onder de Afghanen.

In de eerste helft van dit jaar telden de Verenigde Naties 1.013 burgerdoden, 24 procent meer dan in dezelfde periode vorig jaar. Zo’n 60 procent was slachtoffer van geweld door opstandelingen, maar dat neemt voor gewone Afghanen niet weg dat 310 slachtoffers (30 procent) werden gemaakt door westerse troepen. Daarvan vielen er 200 bij luchtaanvallen.

De commandant van de westerse militaire missies, de Amerikaanse generaal Stanley McChrystal, heeft kort na zijn aantreden in juni een nieuwe tactische instructie uitgevaardigd, waarin het voorkomen van burgerslachtoffers centraal staat. Samengevat: luchtaanvallen mogen alleen nog worden gebruikt als zeker is dat er geen burgers kunnen worden getroffen, of als westerse militairen in direct levensgevaar zijn.

Sindsdien is het aantal bombardementen afgenomen, maar er gaan nog altijd dingen mis. Vorige maand kwamen tientallen burgers om bij een luchtaanval op twee tankwagens in Kunduz, die was aangevraagd terwijl er vermoedelijk geen ISAF-troepen in gevaar waren. Begin deze maand vielen bij een bombardement door een Nederlandse F-16 in Helmand zeker zes burgerdoden. Volgens Defensie zijn toen alle voorschriften gevolgd.

Het incident in Guzara, waar Ghulam Yahya zelf niet bij aanwezig bleek te zijn, toont aan hoe makkelijk het mis gaat. Hoe aannames en grove middelen tot fatale fouten leiden, maar ook hoe moeilijk het is om de Afghaanse realiteit te doorgronden. Dat blijkt uit de verhalen van stamleider Kashmir en Abdul Basir, de enige overlevende van de getroffen Kuchi-familie, en de bevindingen van een onafhankelijke mensenrechtenspecialist die het incident minutieus heeft onderzocht. Deze persoon moet om veiligheidsredenen anoniem blijven. De Amerikanen wilden behalve hun persberichten geen toelichting geven op de kwestie.

Abdul Basir (25), zoon van Abdullah, hoort bij de Tahiri, een van de belangrijkste stammen in Herat. Met stamleider Kashmir is hij naar een restaurant in Herat gekomen om te vertellen over de gebeurtenissen van 17 februari. „In Guzara zouden de Talibaan je onmiddellijk te pakken nemen”, zegt Kashmir. Voor Basir is de stad een nieuwe wereld. Hij eet voor het eerst met lepel en vork en drinkt zijn eerste glas fanta.

„We werden wakker van de overvliegende bommenwerpers”, vertelt Basir. „Ons kamp lag in een vlakte, de Talibaan waren in de bergen. Mijn tent stond een paar honderd meter van de twee tenten waar mijn broers met hun gezinnen en onze moeder sliepen. Er waren twee gasten. Hun auto’s stonden naast de tenten. Waarschijnlijk dachten de Amerikanen dat de auto’s van de Talibaan waren. De brand die ontstond door de bommen was als een vulkaan. We konden niets doen. Van een afstand zag ik mijn vee verbranden.”

Toen de brand tegen de ochtend was uitgewoed, waren Basirs moeder, zijn twee broers, hun vrouwen, zes jonge kinderen en de twee vreemdelingen dood. „We hebben hun lichaamsdelen met bezems bij elkaar geveegd terwijl de vliegtuigen bleven overkomen”, zegt Basir.

Diezelfde dag brachten de Amerikanen een persbericht uit: „Coalitietroepen doden hoge opstandelingencommandant in Herat.” Het bericht stelt: „Zodra de exacte locatie van de militanten was bevestigd, vielen coalitietroepen de schuilplaats aan met een precisieaanval. Ze vernietigden daarbij twee voertuigen en doodden de militanten in hun compound.” Het bericht besluit: „De uitschakeling van deze leider en militanten zal helpen vrede te brengen in de provincie Herat en de Islamitische Republiek Afghanistan.”

Later op de dag werd een aangepast persbericht uitgebracht, waarin staat dat Ghulam Yahya het doelwit was, maar niet dat hij is gedood. Wel zijn „tot vijftien militanten” omgekomen. De volgende dag meldt het Amerikaanse leger dat het een onderzoek doet naar „bijkomende slachtoffers”.

„Het is een patroon om burgerslachtoffers te ontkennen zodra een incident de krantenkoppen heeft gehaald”, zegt Norah Niland, hoofd Mensenrechten bij de Afghaanse VN-missie, „en het heeft een averechts effect. Ik zeg altijd tegen ze: jullie zijn niet in de positie om te zeggen wat er is gebeurd voordat er een onderzoek is geweest. Zodra je verklaart dat je niemand hebt gedood, wordt het moeilijker daarop terug te komen. In enkele gevallen, meestal na incidenten die uitgebreid in de media zijn geweest, stuurt het Amerikaanse leger een team juristen om te bekijken wat er gebeurd is. Maar die neigen er steevast naar hun troepen van blaam te zuiveren.”

In dit geval zagen de Amerikanen hun fout snel in. Ze bezochten de Kuchi’s, betaalden binnen enkele dagen de standaard 2.000 dollar per slachtoffer aan de gemeenschap en betuigden hun medeleven. Ze gaven geen nadere uitleg over hun afwegingen die tot het bombardement hebben geleid.

De bevindingen van de anonieme onderzoeker werpen enig licht op de zaak. De vreemdelingen waren waarschijnlijk geen toevallige passanten, zoals de Kuchi’s zeiden, maar monteurs die samenwerkten met Ghulam Yahya en naar het kamp gekomen waren om hem te ontmoeten. Ter plaatse zouden zij twee door hem gestolen auto’s repareren.

De onderzoeker maakt dit op uit getuigenverklaringen en inlichtingenbronnen. Maar Ghulam Yahya staat erom bekend zijn plannen op het laatste moment te wijzigen. De bommen werden een uur na aankomst van de monteurs afgeworpen, klaarblijkelijk met een incorrecte ‘positieve identificatie’, zoals dat in het militaire jargon heet.

Rest de vraag hoe de Kuchi’s betrokken waren bij Ghulam Yahya’s activiteiten. „Hij en zijn strijders kwamen geregeld bij ons voor voedsel en onderdak”, vertelt stamleider Kashmir, „met hun geweren op ons gericht. Een week voor het bombardement was hij er nog. We móésten ze wel gastvrijheid verlenen.” De Amerikanen zeggen dat ze wapens en munitie bij de Kuchi’s hebben gevonden. Niet verwonderlijk, vindt de onderzoeker: Kuchi’s verhandelen sinds jaar en dag wapens en drugs. „Zaken die westerlingen als illegaal beschouwen, maar voor hen is het gewoon handel.”

Abdul Basir heeft zijn leven niet kunnen oppakken na het verlies van zijn familie. Hij heeft geregeld flauwtes en wordt soms bewusteloos gevonden in de woestijn. Zijn verloving werd verbroken omdat hij niets meer bezat. „Ik denk niet meer aan de toekomst”, zegt hij.

„De mensen hebben een hekel aan de Talibaan”, vertelt Kashmir. „Die willen het land met geweld onder controle krijgen en hebben geen plan om het daarna te besturen.

„Maar de regering en de buitenlanders beschermen ons niet, en vertellen evenmin wat ze van plan zijn. Het enige wat we van de buitenlanders zien is als ze voorbijrijden in hun geblindeerde auto’s. Ik verwacht dat de Afghanen tegen hen zullen opstaan, zoals ze dat tegen de Russen hebben gedaan. Elke dag heb ik dat gevoel sterker.”