Regel dit, regel dat, maar bemoei je nergens mee

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de functie van een overheid.

Het leven van een bewindspersoon is bezaaid met onzekerheden, maar van één ding kan hij altijd op aan: hij doet het nooit goed. De aanpak van de huidige economische crisis is een mooi voorbeeld.

Zou het kabinet afgelopen Prinsjesdag forse bezuinigingen hebben aangekondigd, dan zou ter linkerzijde de storm zijn opgelaaid: de verzorgingsstaat wordt uitgekleed en de gewone belastingbetaler wordt de dupe. Zou het kabinet daarentegen flink hebben geïnvesteerd om de economie weer aan te jagen, dan zou ter rechterzijde de kritiek zijn losgebarsten: de staatsschuld loopt uit de hand en volgende generaties krijgen de rekening gepresenteerd.

Nu het kabinet twintig werkgroepen heeft opgesteld om uit te laten zoeken welke maatregelen nodig zijn, komt de hoon van beide kanten: de regering schuift de problemen voor zich uit, luidt het nagenoeg unanieme oordeel. De VVD noemde het kabinet „feitelijk demissionair” en diende een motie van wantrouwen in – een motie die werd gesteund door de PVV én de SP. Wie in de politiek iedereen te vriend wil houden, maakt dus des te meer vijanden.

In Nederland zijn we daar inmiddels aan gewend geraakt. Of het nu gaat om de AOW-leeftijd, de missie in Afghanistan of het rookverbod in de horeca, steeds klinkt dezelfde melodie: er zijn voornemens, de kritiek zwelt aan, er ontstaat een impasse – en áls er dan een besluit genomen is, begint het liedje opnieuw. Denk bijvoorbeeld aan alle ophef rondom dubbele nationaliteiten of de steun aan de oorlog in Irak: er is nog geen besluit of conclusie uit voortgekomen. NRC-analist Marc Chavannes vatte het in de titel van zijn nieuwste boek dan ook kernachtig samen: ‘Niemand regeert.’

Hoe kan dat? Talloze factoren spelen een rol. Ten eerste is moeizame besluitvorming inherent aan een representatieve democratie: er moeten coalities worden gevormd, naar de oppositie worden geluisterd en met de vakbonden worden gepraat. De macht is dus over vele partijen verdeeld. In Nederland is dat effect versterkt geraakt door het poldermodel dat twintig jaar geleden is omarmd. Iedereen laten meepraten om tot een effectief compromis te komen, blijkt vaak moeilijker dan gedacht. Ten derde speelt ook de liberalisering uit de jaren 90 een rol: de overheid besteedde veel van haar verantwoordelijkheden uit aan de markt en leverde zo een groot deel van haar macht in. Ze kán dus ook niet echt regeren.

Maar er speelt nog een complicerende factor mee: de verwachtingen van burgers ten aanzien van de overheid zijn vaak zeer tegenstrijdig. Aan de ene kant willen we dat de overheid daadkrachtig optreedt tegen onrecht en eisen dus strengere wetten en betere handhaving (‘regels zijn regels!’). Maar tegelijkertijd willen we dat de overheid zich niet met ons leven bemoeit en hekelen daarom betuttelende maatregelen als het rookverbod, het elektronisch kinddossier of de vliegtaks (‘weg met de bureaucratie!’). Kortom, we verwachten voortvarend beleid, maar accepteren geen autoriteit. Of, zoals Chavannes zei: „Mijn boek had ook ‘Niemand wil geregeerd worden’ kunnen heten.”

De overheid heeft deze dubbelzinnige houding overigens ook in de hand gewerkt. Het kabinet-Balkenende hamert al sinds haar aantreden op de ‘eigen verantwoordelijkheid’ van mensen en doet dikwijls een ‘moreel appèl’ op de samenleving als het gaat om het tonen van fatsoen en respect. Maar tegelijkertijd belooft zij na ieder incident ‘harde maatregelen’ die de suggestie wekken dat de oplossing voor maatschappelijke problemen volledig in handen van de overheid ligt. Dat schept verwachtingen en, op den duur, teleurstellingen.

In filosofische zin is deze tegenstrijdige houding terug te voeren op de meer fundamentele vraag: wat is eigenlijk de functie van de overheid? Daarover bestaat in Nederland, net als in de filosofie, totaal geen overeenstemming. Wanneer we het anarchisme – dat tegen het bestaan van een staat an sich is – buiten beschouwing laten, kunnen we stellen dat de opvattingen over deze kwestie zich bevinden tussen twee filosofische uitersten.

Aan de ene kant staat het idee van een minimale staat. Aanhangers van deze visie vinden dat de functie van de staat beperkt moet blijven tot het handhaven van de meest basale sociale orde en veiligheid. Daartoe heeft zij alleen een politiemacht, een rechterlijke macht en een leger nodig. Zaken als gezondheidszorg, welvaartsverdeling en handel vallen buiten haar verantwoordelijkheid, omdat – zo luidt de redenatie – overheidsbemoeienis daar te zeer ten koste gaat van de individuele vrijheid van burgers. Hoewel geen volledig minimale staat, komen de Verenigde Staten dicht in de buurt: de gezondheidszorg is grotendeels geprivatiseerd, de economie is volledig vermarkt en de sociale zekerheid tot een minimum beperkt.

Filosofische verdedigingen van de minimale staat zijn er in twee soorten – gebaseerd op een positief mensbeeld en een negatief mensbeeld. De eerste soort vindt men terug in het klassieke liberalisme van de Britse denker John Stuart Mill (1806-1873). In dit liberalisme, vooral te vinden bij de VVD en D66, gaat men uit van een betrouwbare menselijke aard en vindt men daarom dat de invloed van de staat zo klein mogelijk moet zijn. Want, hoe vrijer de burger is, des te beter zijn goede aard tot uitdrukking komt. De mens is van nature goed, maar macht (en dus onderdrukking) corrumpeert, zo is de gedachte.

De andere soort beroept zich daarentegen op het wantrouwende mensbeeld van de Duitse pessimist Arthur Schopenhauer (1788-1860). Hij pleitte voor een minimale overheid met uitsluitend een geweldsmonopolie, omdat de mens juist van nature op macht belust en tot egoïsme geneigd zou zijn. Schopenhauer beschouwde deze impuls als onvermijdelijk en achtte de overheid daarom niet in staat tot méér dan onderdrukking ervan: de mens ‘opvoeden’ tot betere wezens zat er niet in. Deze opvatting vindt men vooral terug bij de PVV, die tegen bijna alle vormen van overheidsbemoeienis is, behalve als het gaat om het rigoureus bestrijden van criminaliteit.

Dat onvermijdelijke egoïsme is precies het verschil met de andere kant van het filosofische spectrum, waar zich de aanhangers bevinden van de opvoederstaat: het idee dat de overheid een grote rol heeft in het scheppen van betere burgers. Voorstanders van deze visie geloven wél in morele vooruitgang en pleiten daarom voor veel overheidsinvloed, zoals progressieve belastingen, publieke zorg en emancipatieprogramma’s.

Ook hier is wederom een onderscheid te maken tussen een positief en negatief mensbeeld. Politici die uitgaan van vertrouwen baseren zich veelal op de filosofie van Immanuel Kant (1724-1804), die de mens als redelijk beschouwde en daarom voor verbetering vatbaar achtte door hem zo zelfstandig mogelijk te maken. Kantiaanse politici vinden daarom dat de overheid er vooral is om voorwaarden voor morele vooruitgang te scheppen, zoals het creëren van sociale zekerheid, collectieve pensioenen en werkgelegenheid. Deze opvatting vindt men met name terug bij de PvdA en GroenLinks: hun beleid is doorgaans bevoogdend maar niet verbiedend van aard.

Voorstanders van een opvoederstaat die uitgaan van wantrouwen baseren zich daarentegen op het mensbeeld van de Brit Thomas Hobbes (1588-1679). Hij zag de mens niet als redelijk wezen, maar eerder als een dier dat primair op eigen gewin uit was en pleitte daarom juist voor een sterke overheid. Hier ligt de nadruk echter niet op het scheppen van voorwaarden voor zelfstandigheid, maar op het instellen van controlerende instituties. Dit soort politici, vooral te vinden bij het CDA en de ChristenUnie, gaan er vanuit dat juist vrijheid mensen corrumpeert en pleiten dus voor sterke sociale controle, zoals in familiebanden of met camera’s op straat.

De functie van de overheid is, kortom, vooral een kwestie van mensbeeld: zijn wij te vertrouwen of niet? Hierin moet volgens mij ook precies de verklaring worden gezocht voor de ambigue verwachtingen die Nederlanders tegenwoordig jegens de overheid hebben. We willen geen van allen gewantrouwd worden en hekelen daarom iedere ‘betuttelende’ maatregel die onze eigen vrijheid beperkt.

Maar tegelijkertijd vertrouwen we, aangespoord door op incidenten gerichte media, onze medemensen ook steeds minder en eisen daarom een almaar hardvochtigere aanpak van anderen. Zolang de maatregelen geen betrekking hebben op onszelf, zoals het immigratiebeleid of de ontwikkelingshulp, kan het beleid zelfs niet streng genoeg zijn.

Zo bezien had Schopenhauer volledig gelijk toen hij stelde dat de staat uitsluitend gericht is „op het bedienen van het egoïsme waar ze uit voortgekomen is”. Treffender kan onze houding jegens de politiek niet worden verwoord.