Olie geeft opkomst Brazilië vaart

Recente olievondsten in Brazilië moeten de belofte van opkomende economische grootmacht waarmaken. De zittende elite wint erdoor aan zelfvertrouwen. En in politiek opzicht komt de olie ook goed uit.

In Brasília, deze metropool van ambtenaren, diplomaten en lobbyisten, gaat het dezer dagen over een ding: olie. En de miljarden dollars die er mee verdiend kunnen worden. De Braziliaanse chaos en drukte van steden als São Paulo en Rio de Janeiro is hier in de geordende hoofdstad ver weg. Zullen de olievelden die zijn gevonden voor de Braziliaanse kust de belofte van Brazilië als opkomende grootmacht gaan waarmaken? In de nabije toekomst zal Brazilië in de top tien van olieproducerende landen staan. Het is optimisme is groot, de verwachtingen zijn hoog. Vooral in de regering van president Lula.

Dus is in de hoofdstad Brasília het grote lobbywerk begonnen. Om de oliebelangen in het zogeheten pre-zoutgebied (de olie is gevonden onder zoutlagen op 6.000 meter diepte) te beschermen, in te kaderen in speciale wetgeving. Want Lula wil dat de overheid het laatste woord heeft bij de opbrengsten van ‘pre-zout’, zoals het in Brazilië kortweg wordt genoemd.

Naar het voorbeeld van Noorwegen wil de Braziliaanse regering een speciaal fonds opzetten waarin de miljarden oliedollars moeten vloeien. Dat geld zou in het bijzonder gebruikt worden om het onderwijs in het land drastisch te verbeteren. Maar eerst moeten parlement en bedrijfsleven (in eigen en buitenland) worden overtuigd. Lula zou het vooruitzicht op de vloeiende oliebaten willen gebruiken, zo luidt de oppositiekritiek, om zijn beoogde opvolger in het zadel te helpen. Daarom is de ‘pre-zout-tour’ in volle gang. De haast is groot, het belang nationaal. De presidentsverkiezingen zijn volgend jaar.

Een driedaags opwarmseminar in Brasília, voor diplomaten, ondernemers, politici en media, over de olie in het pre-zoutgebied (met een oppervlakte drie keer zo groot als Nederland) wordt geopend met het volkslied. Iedereen staat op. Het gaat om de toekomst van het land. Sommige vrouwen zijn in gala, veel zilver en goud, mannen allemaal in stemmig pak, de borst vooruit, de rechterhand op het hart.

En wie is de openingsspreker? José Sergio Gabrielli, de topman van energiegigant Petrobras? Of Edison Lobão, de minister van Mijnen en Energie? Nee, het is de minister van Binnenlandse Zaken, Dilma Rousseff. Logisch? Hier wel. Rousseff, een voormalige linkse guerrillastrijder, is de aangewezen opvolger van president Lula. Als zij de presidentsverkiezingen wint volgend jaar, zo luidt de boodschap, dan zijn de pre-zout belangen en dus de opbrengsten in goede handen.

Daar komt zij op. Gekleed in zakelijk grijs. Hartstochtelijk brengt ze een lofzang op het land, op zijn stevige instituties, gezonde democratie, stabiele economie, veelzijdige industrie, groeiende inkomens. „De olie zal ons op een prominente plek in de wereld zetten. We zullen tot de grootste producenten behoren,” verkondigt zij met een verve alsof haar gehoor niet al net zo denkt. Rousseff presenteert grafieken over olieconsumptie in de wereld en zegt: „Wij bevinden ons straks in een positie dat wij de regels en condities kunnen definiëren ten opzichte van grootverbruikers van benzine als Amerika en Europa.”

De klare taal staat symbool voor het nieuwe bewustzijn in Brazilië. Het zelfvertrouwen neemt toe. De banken zijn dankzij hun conservatisme aan de kredietcrisis ontsnapt en fier overeind gebleven. In het tweede kwartaal van dit jaar groeide de Braziliaanse economie, intussen opgerukt naar de tiende plaats in de wereld, al weer met 1,9 procent. Voor 2010 wordt een groei van ruim 5 procent verwacht. De effectenbeurs zit, na een dip eind vorig jaar, weer op zijn oude niveau en Standard & Poor’s bevestigde recent opnieuw dat Brazilië een veilige investeringshaven is.

De exploratie en productie in de pre-zoutgebieden zullen mega-investeringen met zich mee brengen. Alleen al de Brazilaanse energiemaatschappij Petrobras zal de komende tien jaar 111 miljard dollar investeren. Daar komt nog eens een geschatte 400 miljard dollar bij, afkomstig van van binnenlandse en buitenlandse bedrijven die willen mee profiteren van de oliebonanza. Animo is er genoeg. De Chinezen zijn geïnteresseerd, de Arabieren ook. Minister Lobão van Energie wordt benaderd door Amerikaanse banken die zaken met hem willen doen. Ja, ze komen naar Lobão toe, hij hoeft er zelf niets voor te doen.

Op dit moment is Brazilië het 15de olieproducerende land met 2,6 miljoen vaten ruwe olie per dag. In 2006 was Brazilië voor het eerst zelfvoorzienend in olie en inmiddels een netto-exporteur. Het land heeft zo’n 12,6 miljard vaten aan bewezen reserves (1 procent van de mondiale reserves). Maar dat aantal zou meer dan kunnen verdubbelen tot 25 à 30 miljard vaten als de potentie van de pre-zout velden wordt verwezenlijkt.

Tijdens haar praatje laat Rousseff zich ontvallen dat de vorige regering, voordat Lula in 2002 aantrad, helaas te ver was gegaan met de privatisering van Petrobras. Daarmee zou zij te veel staatsmacht uit handen uit handen hebben gegeven. Het is typerend voor de politieke wind die door hoofdstad Brasília waait.

Petrobras, samentrekking van Petróleo Brasileiro, is in 1953 opgericht door president Getúlio Vargas. Toen Vargas zijn plannen voor de nationale oliemaatschappij lanceerde, ging dat gepaard met de slogan ‘De olie is van ons’, die nu, ruim een halve eeuw later, nieuw leven is ingeblazen. Ook Lula en Rousseff zijn van mening dat de olie, en dan hebben ze het weliswaar over de pre-zout gebieden, van het Braziliaanse volk (190 miljoen inwoners) is.

40 jaar lang had Petrobras een monopolie in het land, totdat de regering van Fernando Henrique Cardoso daar in 1997 een einde aan maakte. Hoewel Petrobras geprivatiseerd en beursgenoteerd is, heeft de federale overheid nog wel 55,71 procent van de zeggenschap over het bedrijf. Topman José Sergio Gabrielli praat net zo geestdriftig als president Lula over olievaten als over armoedebestrijding en het belang van goed onderwijs voor de natie. Van huisuit is Gabrielli een academicus, een econoom, die tot 2003 hoogleraar aan de Federale Universiteit van Bahia. Maar hij is ook prominent lid van de partij van president Lula, de Arbeiderspartij (PT). Na 2003 werd hij op aanwijzing van de gouverneur van Bahia, Jacques Wagner, eveneens lid van de PT, aangesteld als financiële man van Petrobras. In 2005 volgde zijn benoeming tot bestuursvoorzitter.

Een van de terugkerende thema’s in de pre-zoutcampagne is de ‘Hollandse ziekte’. Plotseling weten veel Brazilianen, die Nederland meestal associëren met voetbal, nu ook wat deze benaming behelst. Na de ontdekking van zijn de gasbel gebruikte Nederland de miljarden aan gasbaten voor uitbreiding van de collectieve sector, sociale uitkeringen voorop (net als trouwens Groot-Brittannië onder Thatcher deed), niet voor investeringen in de infrastructuur. In die val wil de regering van president Lula niet lopen. De regering heeft bovendien andere plannen. Brazilië mag niet alleen maar exporteur van olie worden, zoals Iran dat geen eigen raffinaderijen heeft en zijn benzine moet invoeren. Liever kijkt Brazilië naar Noorwegen of het Amerikaanse Houston, de ‘energie hoofdstad van de wereld’. De oliesector in de golf van Mexico en Venezuela is hofleverancier voor de petrochemische industrie in deze Texaanse stad.

In het komende decennium wil Brazilië zich ook tot een petrochemisch centrum ontwikkelen. Op de slotdag van het pre-zout seminar onderstreept minister Lobão van Energie dat nadrukkelijk. Twijfel over de toekomst van de Braziliaanse olie-industrie, ook al ligt de olie op een diepte van 6.000 meter in de Atlantische oceaan, kent hij niet. Hij zegt: „De Braziliaanse ingenieur kan het allemaal. Ze behoren tot de beste van de wereld.” En voor de buitenstaander die het nog niet weet: „Petrobras zal in twaalf jaar tijd de grootste oliemaatschappij van de wereld zal zijn.” Applaus.