Lakeman benadeelde zijn eigen achterban

Door zijn oproep heeft Lakeman DSB opzettelijk laten omvallen. Volgens hem was dat goed voor zijn achterban. Maar het tegendeel is het geval, meent Toni van Hees.

Het faillissement van DSB Bank is onontkoombaar. Een bank drijft op het vertrouwen van haar spaarders en andere financiers. Dat vertrouwen is met het van toepassing worden van de noodregeling onherstelbaar beschadigd. DSB Bank zal daarom moeten worden geliquideerd.

De ervaring leert dat een dergelijke liquidatie met grote verliezen gepaard gaat. De bezittingen van de bank bestaan hoofdzakelijk uit verstrekte kredieten. Het zal niet gemakkelijk zijn deze kredietportefeuille te verkopen. In de eerste plaats is er nog steeds sprake van een kredietcrisis, waardoor de belangstelling voor dit soort portefeuilles niet erg groot zal zijn.

Daar komt bij dat een koper van de portefeuille alle problemen en discussies met partijen als Stichting Hypotheekleed, Stichting Steunfonds Probleemhypotheken en Stichting Woekerpolisclaim op de koop toe krijgt. Als er al een gegadigde gevonden zou kunnen worden, dan zal deze de portefeuille daarom alleen tegen een fikse korting willen overnemen.

Het faillissement (nu nog: de noodregeling) van DSB Bank is door Pieter Lakeman van Stichting Hypotheekleed uitdrukkelijk gewild, en zijn oproepen aan spaarders om hun gelden bij DSB Bank op te nemen, hebben zeker tot de noodregeling bijgedragen.

De stelling van Lakeman was dat een faillissement van DSB Bank goed was voor de door hem vertegenwoordigde benadeelden, omdat met een curator gemakkelijker een regeling zou kunnen worden getroffen dan met het bestuur van de bank.

Juist is de veronderstelling van Lakeman dat de rol van het bestuur van de bank bij een faillissement – en ook bij een noodregeling – volledig is uitgespeeld. Het is echter zeer de vraag of de achterban van Lakeman iets met een faillissement opschiet. Dit nog afgezien van de enorme schade die werknemers, rekeninghouders en andere betrokkenen door een faillissement lijden.

Er zijn ten minste drie redenen te noemen waarom benadeelden van DSB Bank juist niet geholpen zijn met de situatie waarin de bank verkeert.

In de eerste plaats zal als gevolg van de noodregeling de behandeling van dossiers van benadeelden vermoedelijk geruime tijd stilliggen. Eerst zullen de bewindvoerders immers de claims van de benadeelden willen inventariseren om vervolgens op basis daarvan vast te stellen op welke wijze deze zullen moeten worden afgewikkeld.

De werkzaamheden die nodig zijn voor deze inventarisatie en afwikkeling zullen moeten worden georganiseerd en dat kost nu eenmaal (veel) tijd. De benadeelden zullen in de tussentijd al hun verplichtingen moeten nakomen, ook wanneer zij daar grote moeite mee hebben.

Een tweede reden is dat een bewindvoerder (hetzelfde geldt voor een curator in een faillissement) een geheel ander belang heeft te dienen dan de bestuurder van een bank. De bewindvoerder zal zich primair richten op de belangen van de schuldeisers en zal in beginsel geen claims kunnen honoreren die geen deugdelijke juridische grondslag hebben. Bij veel claims gaat het om klanten die producten hebben gekocht waarbij (zeer) hoge provisies werden berekend. Het berekenen van hoge provisies is echter op zich niet onrechtmatig, en leidt dan ook niet zonder meer tot een aanspraak op schadevergoeding. De bewindvoerder zal claims die hierop zijn gebaseerd daarom in beginsel niet kunnen honoreren.

Daarentegen had het bestuur van de bank veel meer mogelijkheden om benadeelden tegemoet te komen. Anders dan een bewindvoerder, had het bestuur immers niet alleen te letten op de juridische verhoudingen, maar vooral ook op het belang om verdere beschadiging van de reputatie van de bank te voorkomen. Voor een bank die haar bedrijf wil voortzetten, is immers vertrouwen cruciaal. Door problemen met klanten niet op te lossen, en deze klanten niet tegemoet te komen ook al hebben zij juridisch beschouwd geen claim op de bank, zou het bedrijf van de bank ernstig geschaad kunnen worden.

Een derde reden waarom de benadeelden in de huidige situatie slechter af zijn, is dat er bij de liquidatie van de bank een groot verlies zal optreden, waardoor het waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn om alle schulden volledig te voldoen. Dit geldt uiteraard ook voor de benadeelden die mogelijk wel een vordering op de bank hebben. Hun vordering zal vermoedelijk slechts gedeeltelijk kunnen worden voldaan.

Verder zullen zij lang op hun geld moeten wachten. Een eerste (deel)uitkering zal vermoedelijk ten minste een jaar duren. Vervolguitkeringen nog veel langer. De gehele afwikkeling van het faillissement zal vele jaren in beslag nemen. Benadeelden die juridisch gezien geen vordering op de bank hebben, ontvangen niets.

Alles bij elkaar is het beeld voor alle betrokkenen bij het DSB-debacle triest. De werkgelegenheid voor een groot aantal werknemers is verloren gegaan, werknemers komen op straat te staan zonder enige afvloeiingsregeling, rekeninghouders kunnen voorlopig niet aan hun geld komen en zullen voor een deel hun spaargeld vermoedelijk kwijt zijn en de problemen van benadeelde klanten zullen voorlopig (en voor een deel zelfs definitief) niet worden opgelost. Verder is het vertrouwen in het Nederlandse bankwezen opnieuw geschaad. Zie daar een treurige balans.

Toni van Hees is advocaat bij Stibbe te Amsterdam. Hij was curator van de gefailleerde Indover bank en van de veroordeelde vermogensbeheerder René van den Berg.