I hate you welcome and please thank your cock

Het schort nogal aan de talenkennis van werknemers.

Met als gevolg dat het Nederlandse bedrijfsleven miljarden misloopt door slechte communicatie.

(Illustratie Roel Venderbosch) Venderbosch, Roel

Er is iets vreemds met Nederlanders. Ze hebben de neiging hun talenkennis te overschatten, zo blijkt uit een aantal studies.

Tijdens borrels, in kroegen en op vakanties is dat natuurlijk wel grappig, maar in het zakenleven is een gebrekkige talenkennis minder handig. Er kunnen problemen door ontstaan. Financiële problemen vooral.

In een interne studie van de Kamer van Koophandel Limburg van mei staat dat het Nederlandse bedrijfsleven in de handel met Duitsland jaarlijks bijna acht miljard euro misloopt door gebrekkige taalvaardigheden. De cijfers komen van Fenedex, een particuliere vereniging van onder meer Nederlandse exporteurs.

Volgens de Kamer van Koophandel Limburg blijkt bovendien dat ondernemers in deze provincie meer opdrachten denken te krijgen wanneer hun taalvaardigheid beter zou zijn.

Hoeveel het bedrijfsleven misloopt door slecht Engels is niet precies bekend. Omdat deze taal overal ter wereld in het zakenleven wordt gebruikt, is dat moeilijk in te schatten.

Gebrekkige taalbeheersing leidt er toe dat een klant toch eerder naar iemand toestapt die de taal wel goed beheerst, zegt Daniel Stevens, directeur van het European Language Centre, een organisatie die taaltrainingen aanbiedt voor zakelijk gebruik. „Ook al is je product nog zo goed. Tijdens het zakendoen is communicatie en persoonlijk contact belangrijk.”

Vaak komen werknemers er pas tijdens hun werk achter dat ze zich toch minder goed kunnen redden dan ze dachten, vertelt Harald Kruithof. Hij is directeur van Language Partners, een bedrijf dat taaltrainingen verzorgt. „Maar dan is het dus eigenlijk al te laat.”

Er is een grote groep mensen die zichzelf overschat. Monique Smeets, relatiemanager van het Talencentrum van de Universiteit van Maastricht: „Deze mensen denken dat ze het Engels bijvoorbeeld goed beheersen terwijl ze alle nuances missen. En daar komt het juist op aan.” Er zijn ook mensen (een kleinere groep) die door een psychologische barrière heen moeten. „Vaak kunnen zij juist meer dan ze denken.”

Veel werknemers hebben een redelijke Engelse woordenschat, maar bedenken wat je precies wilt zeggen tijdens een gesprek met een zakenpartner, lukt dan weer niet, zegt Kruithof. „The Bold and The Beautiful volgen op televisie, gaat wel. Maar tijdens een zakenlunch wordt veel jargon gebruikt, dat is lastig.”

Vervolgens zetten mensen zinnen letterlijk om naar het Engels. Dan ontstaan er uitspraken als: ‘We go in sea with you.’ De boeken I always get my sin (2005) en We always get our sin too (2008) staan vol met kromme uitspraken die Maarten Rijkens tegenkwam toen hij topman bij Heineken was. Hij werkte jarenlang in het buitenland. Een voorbeeld: ‘Please thank your cock for the delicious dinner.’ Kruithof: „Dit soort fouten komt echt voor. Zelfs in de top van het bedrijfsleven.”

Ook grammaticale constructies vormen een probleem. Een verkeerde constructie zorgt ervoor dat wat je zegt, net anders overkomt. Of dat het net iets anders betekent. „Als je bijvoorbeeld zegt: ‘I’ve been working here for four years’ in plaats van ‘I’ve worked here for four years’, lijkt het alsof je hebt gewerkt op tijdelijke basis in plaats van fulltime. Daarmee ondergraaf je je eigen positie.

Verder blijkt mailen in het Engels een struikelblok. „Over het algemeen is de toon van e-mails te bot”, zegt Hayley Doidge, docente Engels bij Language Partners. Zo gebruiken mensen vaak ‘must’, wat voor Engelsen overkomt als een bevel.

Een goed voorbeeld van bot taalgebruik is het antwoord op de vraag ‘Can you meet up with me next Thursday?’ Een veelvoorkomend Nederlands antwoord is: ‘No, I can’t’. „Dit komt onbeleefd over”, aldus Doidge. Een beter alternatief is volgens haar: ‘I’m afraid that’s not possible’.

Doidge merkt dat veel cursisten denken: mijn Engels is goed genoeg, ik schrijf dat mailtje wel even. „Vaak spreken ze ook echt wel goed Engels, maar kunnen ze het niet op de juiste manier omzetten naar zakelijk Engels.” Terwijl dat juist gevoelig gebied is, omdat in een e-mail bepaalde woorden of zinnen makkelijk verkeerd kunnen worden opgevat. „Tijdens een gesprek kan je met behulp van gezichtsuitdrukkingen verduidelijken wat je zegt, en dat bepaalt mede hoe anderen je woorden opvatten.”

Maar niet alleen ons Engels, ook ons Duits is ook niet altijd even best. Hier geldt ook: we vertalen letterlijk. „Nederlanders zeggen bijvoorbeeld ‘Ich werde Sie morgen zurückbellen’, terwijl ‘bellen’ in het Duits ‘blaffen’ betekent”, vertelt Smeets.

Ook merkt ze dat Nederlanders niet weten hoe ze precies moeten omgaan met de Duitse umlaut, het trema dat op veel klinkers wordt gezet. „Nederlanders overdrijven vaak het gebruik van de umlaut. Dit kan tot zodanig onbegrip bij de luisteraar leiden dat hij het gesprek of een presentatie niet meer goed kan volgen.”

Een te beperkte vocabulaire kan er ook voor zorgen dat een Nederlander in de war raakt van een Duitse gesprekspartner. Smeets: „Ik schoot een keer heel erg in de stress toen een Duitsers tegen mij zei: ‘Jetzt bin ich aber irritiert’. Ik dacht dat ik hem boos had gemaakt. Later kwam ik erachter dat hij bedoelde te zeggen dat hij een beetje in de war was.”