Hardrocker legt kosmisch ei

De Australische band Wolfmother maakt robuuste hardrock met bluesinvloeden.

Zanger Andrew Stockdale is een einzelgänger. „Ik ben Bono en The Edge in één.”

Denk niet dat hij opeens een zweverig type is geworden, met zijn dromerige ogen onder die mooie bos krulhaar. Maar Andrew Stockdale, zanger/gitarist en oprichter van de Australische hardrockgroep Wolfmother, bezocht een yogaklasje. „Eén keertje maar. Genoeg om een interessante yogapositie te leren waar je heel rustig van wordt. De cosmic egg, een soort Boeddhahouding die symbool staat voor een nieuw begin. Heel toepasselijk voor Wolfmother. Dus heb ik de nieuwe plaat Cosmic Egg genoemd.”

Na een succesvol debuutalbum, Wolfmother uit 2006, ontsloeg Stockdale zijn bandleden en begon opnieuw. Zijn huisstudio in Brisbane werd de kosmische baarmoeder waar verse songs werden uitgebroed. Pas later zocht hij nieuwe bandleden en verkaste naar Los Angeles, waar hij met producer Alan Moulder (My Bloody Valentine, Smashing Pumpkins) een album opnam dat weer net zo heerlijk ouderwets klinkt als het debuut. Beter zelfs, want aan klank en productie kon hij dit keer meer aandacht besteden.

Jarenzeventighelden Led Zeppelin, Deep Purple en Black Sabbath stonden model voor Wolfmothers robuuste hardrocksound. Andrew Stockdale schaamt zich er niet voor, maar wil ook zijn minder voor de hand liggende invloeden aanstippen. „Ik ben opgegroeid met de muziek van Supertramp en The Eagles op de radio. Als ik moet zeggen welke muziek mij het meest beïnvloed heeft, dan zijn het de soundtracks van films en series die ik op de Australische tv zag. De themasongs van Welcome Back Kotter en The A-Team hebben mij muzikaal gevormd, omdat je ze elke week hoorde. Bij dat soort liedjes vroeg ik me altijd af waarom ze na twee keer luisteren voorgoed in je herinnering genesteld bleven. Zulke songs wil ik ook maken. Ik denk dat ‘Woman’, van het vorige album, er zo eentje was. Op de nieuwe cd staan er minstens drie die je niet meer uit je hoofd krijgt.”

Stockdale is niet jaloers op bands als U2 of The Beatles, hechte clubs die sinds hun schooltijd samen waren in dezelfde bezetting. „De dynamiek tussen muzikanten bepaalt of je het lang met elkaar uithoudt. Ik denk dat ik meer een einzelgänger ben. Voor mij is er niets mooier dan het gevoel dat je bekruipt wanneer je een sterke rocksong van begin tot eind hebt voltooid, vanaf het eerste idee tot de kant en klare studioversie. Je moet het zo zien: bij Wolfmother ben ik Bono en The Edge in één.”

Nieuwe drummer Dave Atkins speelde eerder bij Resin Dogs en heeft er de nodige kilometers in een toerende rockband op zitten. Gitarist Aidan Nemeth en bassist/toetsenman Ian Peres hebben minder ervaring en ook dat is een goede zaak, vindt Andrew. „Ze staan nog fris tegenover het hele proces; de uitdaging om de wereld van stad tot stad te veroveren. In Australië moet je die mentaliteit wel hebben, want de afstanden zijn daar zo groot dat je bereid moet zijn om honderden kilometers te reizen om in het volgende bezemhok met tien man publiek te spelen. Die ervaring heeft me nederig gemaakt.”

Als gitarist voelt Stockdale zich verwant met Jack White van The White Stripes, omdat hij blues en rock in een volstrekt eigen stijl heeft gevangen, iets wat Wolfmother ook probeert te bereiken. Zijn gitaarhelden blijven Keith Richards en Angus Young, om de eenvoud die ze in hun spel weten te handhaven. „Ik ben nooit afhankelijk geweest van het imiteren van anderen. Mijn stijl is altijd veel breder geweest dan alleen maar classic rock. Ik begon als flamencogitarist en mijn eerste betaalde optredens deed ik in het plaatselijke winkelcentrum. Nog voordat ik een rockband begon had ik ervaring met optredens van vijf uur achter elkaar, in een donker hoekje van een restaurant met een akoestische gitaar. De anderhalf uur per avond die ik nu op het podium doorbreng, met perfect versterkt geluid en muzikanten die precies doen wat ik van ze verlang, voelen als pure luxe.”

Wolfmother speelt morgen in De Melkweg, Amsterdam.