'Der Sommer war sehr gross'

Heb je de hele zomer met de moestuin geworsteld, of met andermans moestuin, of met het verlangen naar een moestuin (alle mogelijkheden gehad?), komt nu de herfst met nieuwe overvloed. Wat te doen met de vijgen, de kastanjes, de walnoten, de druiven, de appelen, de peren, de kweeperen en wat er zoal nog meer van de bomen komt. Fruit en noten.

Het geeft een heerlijk eekhoorntjesgevoel vind ik (voelen we dat allemaal? Het eekhoorntje in ons?) en je krijgt zin om buiten door de bladeren te rennen, kastanjes te rapen, melige dingen te zeggen over de herfst en de prikkelende herfstgeur en de gloeiende kleuren enz. Een clicheetje is nooit weg als het seizoen zich aandient, al is het nog wel echt vroege herfst.

Vroeger gingen veel mensen in deze tijd naar Frankrijk om druiven te plukken, ze kwamen altijd geheel gebroken en gemarineerd in goedkope wijn terug.

Doet de jeugd dat nog? (Lekkere bejaarde vraag zeg.) (Zal ik het hele stuk tussen haakjes zetten?)

Je krijgt zin in mooie herfstpoëzie vind ik, niet die bomen die dorren in het laat seizoen, maar iets dat meer recht doet aan het volle ook van de herfst. Meestal is herfstpoëzie toch vergankelijkheidspoëzie, daar is nu eenmaal weinig aan te doen. je ziet ze immers vallen, de bladeren, het fruit ook, en daarna gaat het rotten en het wordt stiller…

Rilke begint zijn beroemde en prachtige gedicht Herbsttag nogal zonnig met „Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr gross” en die aansporingen om nog wat voor het fruit te doen: „Befiehl den letzten Früchten voll zu sein” en „jage/die letzte Süße in den schweren Wein” maar het wordt allengs treuriger: „wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr”. Daar zit men dan, met die volle laatste vruchten en de zoete zware wijn, lange brieven te schrijven en men wandelt eenzaam door de allee waar de bladeren vallen, zegt de dichter. Het is maar te hopen dat het huis al wél gebouwd is.

Zie, je wordt er toch een beetje weemoedig van, van herfst.

Wat daar tegenover gesteld moet worden is natuurlijk zoiets als een vrolijke schotel met volle wijn en zoete vruchten. Niet ontkennen, de herfst, maar in een zonniger toonaard aan mee doen.

Worstjes in rode wijn en met druiven. Dat gaan we maken. Puree erbij geven, sla vooraf doen (met walnoten hè, ’t is herfst) en dan maar smullen. Werk is het verder ook niet, je gooit alles bij elkaar en zet het in de oven.

Hoe lekkerder de worstjes hoe heerlijker het geheel uiteraard. Dus wie goede Italiaanse worstjes kan krijgen, of runderworstjes met tijm, die moet niet aarzelen. Maar met saucijzen wil het ook.

Vermeng de wijn met de balsamico of vincotto. Vet een ovenschaal in waar de worstjes en de druiven naast elkaar inpassen. Leg de dungesneden bleekselderie en de ui op de bodem van de schaal en schik daar de worstjes op. Leg er ruim de helft van de druiven tussen en druk die met de achterkant van een houten lepel plat. Steek de laurierblaadjes en de tijm ertussen en leg de rest van de druiven aan de steeltjes (dat staat leuk) tussen de worstjes. Giet het wijn-balsamicomengsel over de schaal uit en zet hem drie kwartier op 190 graden. Keer de worstjes eventueel een keer, om ze aan alle kanten bruin te laten worden.