De te grove sloophamer

Waarom de AOW-leeftijd verhogen als van de 64-jarigen maar 13 procent werkt?

Soms worden sociale problemen alleen maar erger als de politiek ingrijpt, stelt socioloog Engbersen.

Boven en onder: een rijtje huizen in de Utrechtse wijk Ondiep. Bij de sloop van oude wijken vallen gemeenschappen uit elkaar. (Foto's Rob Huibers)
Boven en onder: een rijtje huizen in de Utrechtse wijk Ondiep. Bij de sloop van oude wijken vallen gemeenschappen uit elkaar. (Foto's Rob Huibers)
Nederland, Utrecht, 13-03-2008. Foto: Rob Huibers. Dezelfde hoek in de Mahoniestraat in Ondiep op 8 september 2007 en op 13 maart 2008. Over enkele weken is het Kleine Wijk van de aardbodem verdwenen. Het fraai ontworpen Kleine Wijk (±1920), is het oudste deel van Ondiep, een van de veertig wijken op de lijst van minister Vogelaar. Woningcorporatie Mitros wil hier na de sloop nieuwe woningen bouwen.
Huibers, Rob

Oude wijken worden met de sloophamer geherstructureerd, want er moet plaats komen voor middenklassers. De AOW-leeftijd gaat omhoog, want vergrijzing maakt het stelsel onbetaalbaar. En immigratie wordt steeds meer aan voorwaarden gebonden. De politiek komt tussenbeide in maatschappelijke processen en sociale systemen. Maar die ingrepen hebben nogal eens averechtse gevolgen.

Fatale remedies, het nieuwe boek van de Rotterdamse hoogleraar sociologie Godfried Engbersen, gaat over sociaal beleid dat iets anders, soms zelfs het tegendeel, bewerkstelligt van wat wordt beoogd. In zijn werkkamer aan de Erasmus Universiteit geeft hij voorbeelden van valkuilen die sociaal beleid laten ontsporen.

Als eerste mechanisme noemt hij ontwrichting van een sociaal systeem. „Neem het herstructureringsbeleid voor de grote steden. Oude stadswijken gaan op de schop, ook wijken waar nog een sociaal weefsel bestaat. Er wonen wel arme mensen, maar er is nog een gemeenschap. Als alles gesloopt wordt omdat er middengroepen moeten komen, wordt dat sociale weefsel aangetast. In de Rotterdamse buurt Nieuw Crooswijk dreigt dit te gebeuren. Dat oude en nieuwe bewoners warme contacten onderhouden, is onzin. Wel vergroot samenleven van verschillende inkomensgroepen het economische potentieel van een wijk. Ik ben dan ook voor menging, maar niet als vitale gemeenschappen kapot worden gemaakt.”

Beleid kan worden omgebogen door calculerend gedrag. Dat mechanisme noemen sociologen exploitatie. Een klassiek voorbeeld is misbruik van sociale voorzieningen, maar er zijn meer exploitanten. Engbersen: „Nu wil men de AOW-leeftijd verhogen tot 67 jaar. We weten dat tegenwoordig nog maar 13 procent van de 64-jarigen werkt. Wat gaat er dan gebeuren na die verhoging? Werkgevers zullen mensen in dienst moeten houden tot hun 67ste, maar dat willen ze helemaal niet! De kans is dan ook groot dat ze, net als destijds met de WAO, de uitkeringsregelingen gebruiken als afvloeiingskanaal. En dat levert geen besparingen op.”

Een derde mechanisme is ‘classificatie’: een indeling van burgers en gemeenschappen die een eigen leven gaat leiden. „Een mooi voorbeeld zijn de Vogelaarwijken. Door dit stempel op buurten te drukken kwam een kettingreactie op gang: onroerend goed daalde in waarde, banken wilden bijna geen hypotheken meer verstrekken in Vogelaarwijken en bewoners wilden weg. De classificatie heeft handelingsgevolgen. Je moet een wijk ook niet te snel betitelen als prachtwijk, dat leidt alleen maar tot teleurstelling. Bewoners hebben de pest aan politici die of te slecht spreken over een wijk of overspannen verwachtingen wekken.”

Doelen verschuiven. Sinds 2001, zegt Engbersen, is burgerschap in Nederland van een juridisch begrip (rechten en plichten) steeds meer een morele categorie geworden. „Het gaat nu vooral over waarden en normen. Er wordt niet alleen gezegd: je moet meedoen. Nee, je moet je volledig aanpassen aan de Nederlandse samenleving. Maar dat is schijninburgering. Je moet de migrant eerst laten werken, en daarom moet je zorgen dat hij Nederlands leert. De tweede of derde generatie zal zich die Nederlandse cultuur en identiteit vanzelf eigen maken. Je moet oppassen dat je met die moralisering geen wig drijft in de maatschappij. Hele groepen krijgen nu het idee dat ze geen deel uitmaken van de Nederlandse samenleving. Migranten moeten economisch participeren en zich aan de wet houden. Maar bij de beleving van hun eigen identiteit moet je ze vrijlaten.”

Engbersen pleit voor een afgewogen sociaal beleid, voor fine-tuning. „Dat klinkt weinig meeslepend, maar de samenleving is heel complex, fragiel ook, en ik vind dat de politiek er te vaak met zevenmijlslaarzen doorheen banjert. Men is dikwijls rechtlijnig; het is zus of het is zo. Alle beleid leidt tot calculerend gedrag en classificeert degenen die er wel en niet voor in aanmerking komen. Daarom moeten beleidsmakers hun plannen niet alleen laten doorrekenen door het Centraal Planbureau, maar ook de gevolgen doordenken voor het gedrag van en de relaties tussen mensen.”

De tijd van ‘stelselherzieningen’, zoals de hervorming van de sociale zekerheid en de privatisering van het ziekenfonds, ligt intussen achter ons. Engbersen is daar niet rouwig om. „Die grote ideologische concepten hebben onvoldoende gewerkt. In de jaren tachtig zagen we de negatieve gevolgen van een uitgedijde verzorgingsstaat: een miljoen arbeidsongeschikten in een land met een hoge levensverwachting. We kennen nu ook de grenzen van zelfregulering: zie de woningbouwcorporaties. En we ervaren de excessen van de markt. Die ideologieën bevatten bruikbare elementen – markt, staat, civil society – maar zijn op zichzelf onvoldoende. Het beleid moet meer spelen met die ingrediënten. Soms is meer marktwerking goed, zoals in de telecommunicatie. In de financiële sector is vooral meer toezicht nodig. En de universiteiten zouden gebaat zijn bij meer zelfregulering. Juist de mengvorm van deze drie maakt de kracht uit van westerse samenlevingen. Ideologisch exclusivisme leidt alleen tot excessen.”