Amsterdam

‘Kun je me uitleggen wat dat precies te betekenen heeft?”

We stonden op het Leidseplein in Amsterdam, een bevriende oud-collega en ik. Hij woont alweer jaren in een ver buitenland en komt af en toe naar zijn vaderland over om de polsslag van familie en vrienden te meten.

De vraag was de eerste die hij me stelde nadat ik hem verwelkomd had. Ik voelde in zijn woorden een bijna opstandig mengsel van meewarigheid en scepsis. Hij wees over zijn schouder naar een van de mobiele urinoirs, die kort voor elk weekend in het centrum van Amsterdam geplaatst worden. De moderne stad anticipeert op de wassende waterstanden.

„Dat zijn plaskruisen”, zei ik. „Ik noem het ook wel zeikzuilen.”

Hij liet de woorden even op zich inwerken. „Ik begrijp het”, zei hij. Toen, bijna moedeloos: „Zullen we maar naar binnen gaan?”

Het kan toeval zijn geweest, maar het viel me op dat hij in café-restaurant Stanislavski met zijn rug naar het plein bleef zitten. Zodoende verkreeg ik een riant uitzicht op het ongenaakbare urinoir, dat als een grote grijze vuist achter het raam oprees. Er meldde zich nog geen volle blaas.

„Dat je daar met drie, vier man tegelijk, terwijl de mensen achter je langs lopen…” Hij brak zijn zin huiverend af.

„De bedreven plasser brult intussen ook nog goeie grappen naar de anderen of naar toevallige voorbijgangers”, zei ik. De wond lag toch open, nu moest er ook maar een stevige portie zout in.

„Hou op”, zei hij, en hij meende het. Ik kende hem niet als een rigide mopperaar, zo’n ouder wordende man voor wie ‘vroeger’ de maat van alle dingen is. Ik proefde eerder oprechte verbazing en een moeizame poging om de nieuwe indrukken te ordenen.

We bestelden een broodje en hij vertelde me over de rondreis die hij de afgelopen dagen gemaakt had. Om precies te zijn: hij was in de steden Haarlem, Arnhem, Eindhoven, Groningen, Leeuwarden en Rotterdam geweest. Ook had hij nog een uitstapje naar Antwerpen gemaakt.

De provinciesteden hadden hem aangenaam getroffen, Haarlem („de stijlvolste’”) voorop. Maar Amsterdam…

Misschien omdat hij weet dat ik van Amsterdam houd, zei hij met enige schuchterheid: „Om eerlijk te zijn, ik vond Amsterdam er verreweg het verloederdst bij liggen – en dit nog afgezien van de bouwchaos door de Noord-Zuidlijn. Damrak, Rokin, Reguliersbreestraat, Kalverstraat, Rembrandtplein, Leidseplein – het is een zooitje van hasj, porno, goedkope souvenirs, geldwitwaswinkels, belbedrijven, foute toeristen, gruwelijk straatmeubilair, rommel en allesoverheersende reclame. Het is nog erger dan Rotterdam, dat overigens een goede tweede is. In Rotterdam wordt altijd gebouwd, maar meestal gaat dat goed, want ze weten daar tenminste hoe ze tunnels moeten maken.”

Ik schoot een beetje in de verdediging. Generaliseerde hij niet? Zuid, de Jordaan, delen van West, daar was niks mee. Maar het Centrum, tja, daar viel, moest ik toegeven, nog heel wat te verbeteren – en dat gebeurde ook hier en daar. Hij knikte, hij wilde het me niet te moeilijk maken, het was ook verder zijn probleem niet.

„Ik begrijp ook wel dat jullie eraan gewend raken”, troostte hij nog.

Het werd tijd voor een borrel.