Met een bus tegen de maan botsen

Vrijdag eindigde de LCROSS-ruimtemissie met een geplande crash op de maan. Het puinspektakel stelde teleur, maar de NASA hoopt dat het opwaaiend stof water bevat.

Margriet van der Heijden

Wat de wetenschappelijke instrumenten allemaal geregistreerd hebben – en óók: wat niet – dat zullen we pas over een paar weken weten. Maar de LCROSS-missie is geslaagd, vonden vrijdag de onderzoekers van het Ames-instituut van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA.

Met een welgemikte zwiep hadden zij die dag twee projectielen, zo groot als een bus en een Smart-personenauto, regelrecht de Cabeus-krater op de zuidpool van de maan in laten duiken. Op meer dan 370.000 kilometer van de aarde sloegen de twee met een vaart van ruim 9.000 kilometer per uur te pletter in de krap honderd kilometer brede krater. Eerst de een, en vier minuten later de ander.

Bij het Ames-instituut volgden honderden mensen die gebeurtenis. Elders moesten live-beelden laten zien hoe de inslag maanstof omhoog blies, waarvan de samenstelling met infraroodapparatuur vastgesteld zou worden. Met als prangende vraag: zit er water in?

Maar de verwachte tien kilometer hoge pluim van opstuivend stof en misschien zelfs waterijs, bleef uit. Toch zijn er volgens de onderzoekers van het LCROSS-project (53 miljoen euro) honderden tonnen maanmateriaal omhoog gewerkt. Een mogelijke verklaring voor het uitblijven van een hoge stofwolk is, zeggen zij, dat de projectielen een rotsachtige helling of een glooiend gebied in de krater hebben getroffen waardoor het stof niet hoog genoeg oprees om het zonlicht te bereiken.

Het LCROSS-vaartuig (ofwel: Lunar Crater Observation and Sensing Satellite) was de reisgenoot van de Lunar Reconaissance Orbiter, een satelliet die het maanoppervlak nauwkeurig in kaart brengt. Beide gingen op 18 juni dit jaar omhoog met dezelfde ATLAS-raket. De twee ton zware tweede rakettrap die normaal gesproken zou zijn geëindigd als ruimtepuin, werd in het LCROSS-project gebruikt als projectiel.

Daarvoor werd de trap in een wijde baan om de aarde gebracht, onder de hoede van het aangekoppelde LCROSS-ruimtevaartuig. Toen vier maanden later die baan het pad van de maan op de berekende plek kruiste, werden de twee boven het maanoppervlak ontkoppeld en de krater in geslingerd.

In de vier minuten tussen de twee inslagen legden de infraroodinstrumenten aan boord van het LCROSS-vaartuig de inslag van de rakettrap vast en stuurden ze hun gegevens op de valreep nog naar aarde.

De analyse van die gegevens moet nu uitwijzen wat er in de kraterbodem zit. En dus vooral: of zich daar ook waterijs bevindt. De ijzige kraterbodems op de zuidpool van de maan werden na metingen eerder dit jaar door NASA uitgeroepen tot de koudste plek van het zonnestelsel. Metingen met de Indiase Chandrayaan-satelliet wezen bovendien uit dat zich in de bovenste millimeters van het maanoppervlak minieme hoeveelheden watermoleculen bevinden. Die moleculen ontstaan vermoedelijk als waterstofkernen uit de zonnewind op de maan inslaan en verdampen daarna alweer snel.

De diepe ijskoude kraters zouden mogelijk een reservoir zijn waarin dat water zich, niet blootgesteld aan zonlicht, als ijs heeft opgehoopt. En zulke reservoirs zouden volgens NASA weer belangrijk zijn voor eventuele toekomstige bemande maanmissies.

De maan zelf heeft volgens de onderzoekers weinig schade ondervonden van de menselijke agressie. De inslagkrater was ongeveer twintig meter in diameter en vier meter diep, en volgens hen was het effect op de gehele maan een miljoen keer kleiner dan dat van een wimper van een passagier die tijdens de vlucht op de vloer van een Boeing 747 valt.

Eerdere inslagen op de maan – in totaal zijn er een stuk of twintig geweest – hebben overigens nooit ijs kunnen aantonen.