Geef migranten minder gemakkelijk een uitkering

Bij toelating van migranten moet hun economische zelfstandigheid veel meer de leidraad zijn, vinden Eddy van Hijum en Mirjam Sterk.

Het kabinet wil kennismigranten in Nederland de ruimte geven. Tegelijkertijd wil het de instroom van kansarme huwelijksmigranten indammen en laagopgeleide arbeidsmigranten alleen gericht en tijdelijk toelaten.

Deze voornemens zijn te mager: de instroom van mensen met weinig opleiding en perspectief op werk blijft ons inziens te hoog. Dat is een risico voor de sociale zekerheid. Wij pleiten er daarom voor de voorwaarden waaronder migranten een uitkering kunnen krijgen, aan te scherpen. Hiervoor moet er een duidelijke koppeling zijn tussen het immigratiebeleid en de sociale zekerheid.

Voor arbeidsmigranten geldt dat hun verblijfsrecht in Nederland is verbonden aan het specifieke doel om hier tijdelijk te werken. Wanneer zij vanwege werkloosheid een beroep doen op de bijstand, moet het verblijfsrecht beëindigd worden. Dit geldt óók voor arbeidsmigranten uit Oost-Europa, hoewel Europese regels deze mogelijkheid inperken.

De mogelijkheid om Europese arbeidsmigranten die hier korter dan vijf jaar zijn het verblijfsrecht te ontnemen als zij een beroep op bijstand doen, wordt in de praktijk onvoldoende benut. Dit kan veranderen door gegevens van gemeentelijke sociale diensten en de IND beter te koppelen en een consequent terugkeerbeleid te voeren. Opgebouwde rechten in het kader van de WW, WIA en AOW moeten natuurlijk wel verzilverd kunnen worden. Steeds meer mensen werken immers korte of langere tijd over de grens en dit vraagt om meeneembaarheid van sociale zekerheidsrechten. Een Poolse bouwvakker die hier van een steiger valt en arbeidsongeschikt raakt, moet – mits hij voldoet aan de voorwaarden – dus een beroep kunnen doen op de regeling voor arbeidsongeschiktheid.

Wij pleiten dan ook voor een scherp onderscheid tussen verzekeringen (waarvoor men als werknemer of als inwoner rechten opbouwt) en voorzieningen (die uit de algemene belastingen worden betaald), ook als het gaat om de export van deze uitkeringen bij terugkeer. Sociale voorzieningen zoals bijstand, koopkrachttoeslagen en kinderbijslag zijn gerelateerd aan het wonen en leven in Nederland en moeten niet geëxporteerd kunnen worden.

Voor gezinsvorming geldt al dat de in Nederland wonende partner ten minste 120 procent van het minimumloon moet verdienen. Deze voorwaarde beperkt het risico dat aanspraak gemaakt gaat worden op de bijstand. Het inkomen wordt echter alleen vooraf getoetst. Het is bovendien niet uitgesloten dat de huwelijkspartner – bijvoorbeeld na een scheiding – binnen afzienbare tijd alsnog een beroep doet op de bijstand. Indien de partner laagopgeleid is, zoals bij veel importbruiden uit Turkije en Marokko, is er weinig perspectief op werk. Momenteel kan de huwelijkspartner na drie jaar een zelfstandig verblijfsrecht krijgen. Alleen als het huwelijk binnen een jaar strandt, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken.

Wij pleiten ervoor om huwelijksmigranten (net als in veel andere Europese landen) pas na vijf jaar een zelfstandig verblijfsrecht te geven. Een beroep op de bijstand in deze eerste vijf jaar moet gevolgen kunnen hebben voor het verblijfsrecht. Om het perspectief van importbruiden op werk te vergroten is het van belang om opleidingseisen te stellen, bijvoorbeeld via een kwalificatieplicht.

Van vluchtelingen die om politieke of humanitaire redenen asiel in Nederland krijgen mag het verblijfsrecht niet ter discussie staan als zij bijstand aanvragen. De afhankelijkheid van een uitkering is voor hen echter wel een slecht signaal en kan ten koste gaan van eigen initiatief en zelfredzaamheid. Een gemakkelijke toegang tot een bijstandsuitkering mag bovendien geen motief zijn om naar Nederland te komen. Voor vluchtelingen moet de toegang tot een uitkering daarom afhankelijk worden van medewerking aan een inburgeringstraject en de vervulling van de wettelijke arbeids- en reïntegratieplicht. Daarbij is van belang dat gemeenten – veel meer dan nu het geval is – ‘duale trajecten’ aanbieden waarbij het mogelijk is om werk en het leren van de taal te combineren.

Om de sociale zekerheid in Nederland op termijn te garanderen moet het kabinet de arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van migranten veel meer centraal stellen en de uitkeringsvoorwaarden aanscherpen.

Eddy van Hijum en Mirjam Sterk zijn Tweede Kamerlid voor het CDA en woordvoerder sociale zaken respectievelijk integratie.